Other (7): De perceptie op de systematische rede van Kant door Adorno en Horkheimer.

AdornoHorkheimerHabermasbyJeremyJShapiro2Kant_bis

INLEIDING

De filosoof Immanuel Kant werkte in 1781 tijdens zijn loopbaan als professor aan de universiteit van Koningsbergen in alle vrijheid het imposante werk Kritik der reinen Vernunft af. De publicatie van het boek was een hoogtepunt in de geschiedenis van ons denken, een doorslaggevend moment in zijn oeuvre en een werk dat voor altijd een stempel zal drukken op de moderne tijd. Het magnum opus wordt meer dan 150 jaar later op de rooster gelegd door Theodor Adorno en Max Horkheimer in Dialektik der Aufklärung. Met deze twee prominente leden van de Duitse Frankfurter Schule, heeft Kant niet de eerste de beste tegen hem.

Ik tracht in deze paper de belangrijke eindpassages van de transcendentale dialectiek van Kritik der reinen Vernunft kritisch te benaderen vanuit de opmerkingen die Horkheimer en Adorno geven. Ik tracht waar nodig hun kritiek te nuanceren en na te gaan op welk niveau hun opmerkingen wel van waarde zijn. Hierin staat de vraag centraal of Adorno en Horkheimer Kant wel juist hebben begrepen. In het ene deel van de paper probeer ik een beeld te schetsen over het algemene thema dat in de Dialektik der Aufklärung wordt besproken. Adorno en Horkheimer stellen de geschiedenis voor als een negatieve uitbreiding van groeiende natuurbeheersing door de mens. Het toppunt van dat idee wordt bereikt in de Verlichting. Hierbij zal duidelijk worden dat de zogenaamde rede van Kant een essentiële rol heeft gespeeld in dit proces. In het andere deel van de paper bekijk ik a.d.h.v. drie basissecties of de argumentatie van Adorno en Horkheimer tegen Kant juist is.

De eerste sectie behandelt de perceptie op Kant, waar tot uiting komt dat de functie van de rede ligt in de systematiek. Ik argumenteer hier dat Adorno en Horkheimer een te eenzijdige voorstelling geven van de ideeën van Kant. Deze trend wordt ook in de andere twee secties voortgezet, die de beheersing van de wetenschap en de neutralisatie en destructie van de rede behandelen. Uiteindelijk tracht ik uit deze basisonderdelen een conclusie te trekken die ons verder op weg helpt om zowel Kant als Adorno en Horkheimer beter te begrijpen. Ik hoop met deze paper een bijdrage te leveren aan het onderzoek dat naar het transcendentale idealisme van Immanuel Kant wordt gedaan.

1.    SITUERING VAN DIALECTIEK VAN DE VERLICHTING

 

Dialektik der Aufklärung is uitgegeven in 1947 bij de uitgeverij Querido in Amsterdam. Het boek etaleert in de eerste plaats een bijdrage tot de kritiek van de geschiedfilosofie. Adorno en Horkheimer, beide grondleggers van de Duitse Frankfurter Schule, bundelden een aantal fragmenten en geschriften samen tot een essayistisch werk dat hun populariteit in de intellectuele wereld aanzienlijk liet stijgen (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 7).[1] Minstens drie zaken zijn belangrijk om te onthouden vooraleer we aan de studie van dit boek beginnen.

Ten eerste (1) was er bij Adorno en Horkheimer geen opzet aanwezig om hun ideeën in boekvorm uit te geven. Het is eerder een bundel schetsen en aantekeningen met een weinig chronologische opbouw. Dit is van belang bij de verklaring waarom je soms stuit op fragmentatie en onduidelijkheden tijdens het lezen. Ten tweede (2) moet de invloed van oorlogen op het schrijven voor de auteurs immens geweest zijn. Zowel Adorno en Horkheimer maakten de twee wereldoorlogen mee en daarnaast hadden ze beide persoonlijke banden met het jodendom. De ideeën voor het boek werden neergeschreven tijdens hun ballingschap in Amerika. Het lijkt vanzelfsprekend dat de negatieve omgevingsfactoren van het fascistische Duitsland een invloed hebben gehad op de uiterst pessimistische/fatalistische beschrijving van de wereld. (Wiggershaus, 2005) (Horkheimer & Adorno, 2007) Het derde punt (3) heeft betrekking op een gevolgtrekking uit (1) en (2). Veel belangrijke termen en figuren uit de geschiedenis worden op een onduidelijke en niet-transparante manier gedefinieerd, waardoor er veel verwarring kan ontstaan. Het is belangrijk om dit bij het lezen in het achterhoofd te houden. Zo zijn vele discussies die ik zal aankaarten vooral ontstaan uit bepaalde eenzijdige interpretaties van filosofen zoals Kant (cfr. infra.). (Sherrat, 1999, pp. 35-54)

Het grootste deel van het Dialektik der Aufklärung [2] behandelt het verlichtingsdenken en de gevolgen ervan op onze omgang met de werkelijkheid. Een uitgebreide inleiding wordt gevolgd door twee uitweidingen, Excurs I over Odysseus ofwel mythe en Verlichting en Excurs II over Juliette ofwel Verlichting en moraal. Om de discussie over de kritiek van Adorno en Horkheimer op Kant te kaderen is het nuttig om even kort stil te staan bij de argumentatie in de inleiding:

‘Vanouds heeft verlichting, in de meest omvattende zin van voortschrijdend denken, het doel nagestreefd bij de mensen de vrees weg te nemen en hen als heer en meester te laten optreden. Maar de volledig verlichte aarde straalt in het teken van triomferend onheil. Het programma van de Verlichting was de onttovering van de wereld. Zij wilde de mythen ontbinden, de inbeelding van haar voetstuk stoten en door weten vervangen.’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 16)

De eerste zinnen geven goed de verdere toon van het boek weer. Verlichting wordt gepositioneerd tegenover de mythe; de macht van het denken versus de reactie op impulsieve onverklaarde driften (Wiggershaus, 2005, p. 52). Wat volgt zijn 40 narratieve pagina’s met eigenschappen, filosofen en historische feiten van de westerse geschiedenis, die gekenmerkt wordt door een groter wordende natuurbeheersing, met als hoogtepunt[3] de Verlichting (Horkheimer & Adorno, 2007).

Verlichting is in eerste plaats een ontmythologisering. Waar in het animisme de mythe gezien wordt als een narratieve metafysica, reduceert de Verlichting deze tot subjectieve projecties op de natuur. Dit staat echter ver van de objectieve waarheid waar de verlichte wetenschap naar op zoek is. Om dit doel na te streven wordt het systematiseren van alles en elk ding tot ideaal geheven. Het getal wordt de techniek om een formalistisch kader te construeren waarin de wereld zijn betekenis toegekend krijgt. Adorno en Horkheimer argumenteren dat de systematisering zorgt dat de Verlichting totalitair wordt. Het verhoudt zich tot de dingen zoals de dictator tot de mensen. De natuur wordt gedegradeerd tot loutere objectiviteit, die niets mysterieus meer heeft. Het onderscheid tussen object en subject wordt naar voor geschoven als de voorwaarde om de abstractie tot heerser te maken. Wat overblijft is een machtsoefening door mathematisering. Het systematisch denken is dé waarheid en elk aspect van het mens- én wereldbeeld wordt erin gestructureerd. Er is geen reden meer om andere te laten spreken, de dictator heeft immers het weten in zijn macht.[4] Dit leidt tot de conclusie dat de Verlichting eigenlijk ook één grote bedrieglijke mythe is. Het denken is de heer en meester over de natuur, maar blijkt zijn eigen negatie te bevatten. De mens probeert de natuur te beheersen, maar het weten blijkt zonder hoop te zijn en de natuur heeft eigen wetmatigheden die zich beginnen te keren tegen de mens zelf.[5] De idee van heerschappij is zo dominant geworden, dat de mens slaaf is geworden van zijn eigen kennis en werktuigen. Echte vrijheid met de mogelijkheid tot kritische reflectie is onmogelijk geworden en de betekenis van hun activiteit is zoek. De oorsprong en voortgang van deze ideeën worden verder uitgelegd in Excurs I en II. Ik concentreer me op Excurs II, waar de ideeën van Kant aanbod komen.[6] (Horkheimer & Adorno, 2007, pp. 16-57)

2.    ONTVOUWING VAN DE ARGUMENTATIE T.O.V. KANT

De essentiële passages in de Dialektik der Aufklärung die over Kant handelen, laten zich opdelen in 3 secties of onderdelen die elk een bepaalde argumentatie bevatten. Ik onderzoek voor elk onderdeel of de kritiek op Kant al dan niet op goede redenen is gebaseerd.

2.1 DE PERCEPTIE OP KANT

Volgens Adorno en Horkheimer ligt de oorsprong van het systematische denken dat de Verlichting zo kenmerkt in de ideeën van Kant. Dit basisdeel vormt een mogelijkheid tot historisch-exegetische studie omdat de perceptie van Kant er wordt geconstrueerd. Kant wordt met weinig twijfel voorgesteld als de gevaarlijke vaandeldrager van ‘de uniforme, wetenschappelijke orde die feitenkennis afleidt uit principes’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 95). Het kenvermogen dat hier een rol inspeelt is de rede, die ‘een zekere collectieve eenheid ten doel aan de verstandshandelingen stelt’ (KrV, A644/B672). ‘Deze eenheid is het systeem. Haar voorschriften vormen de aanwijzingen voor de hiërarchische opbouw van de begrippen’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 95).De rede draagt niets anders bij dan de idee van systematische eenheid, de formele elementen van de vaste begripssamenhang’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 95).

De perceptie dat Kant de taak van de rede legt bij de systematisering van onze kennis is correct (KrV, A645/673, 2004). Maar het probleem ligt bij de manier waarop Adorno en Horkheimer de systematiek voorstellen. Door systematiek te relateren met feitenkennis en formalisme lijken de ideeën van Kant te zeggen dat het systematische zich verbindt met het bestaan van een systematisch object op zichzelf. Daarvoor zou je echter moeten veronderstellen dat dit idee van verbinding eveneens verbonden is met een gegeven object, maar:

‘daarmee maken we meteen duidelijk dat we ons niets als in een object verbonden kunnen voorstellen zonder het eerst zelf te hebben verbonden, en dat verbinding het enige onder de voorstellingen is, dat niet door objecten kan worden gegeven, maar alleen door het subject zelf kan worden bewerkstelligd, omdat ze een handeling van zijn spontaniteit is.’ (KrV, B130)

De systematiek als verbinding op zich kan dus niet constitutief gebruikt worden, ‘nooit zo dat daardoor begrippen van bepaalde objecten gegeven worden, en dat als ze zo worden opgevat, ze enkel pseudo-rationele (dialectische) begrippen zijn’ (KrV, A644/B672). De enige plaats waar die verbinding wel te vinden is, is in het subject zelf. Dit maakt de systematische eenheid tot een louter ‘geprojecteerde eenheid, die we op zich niet als gegeven, maar enkel als probleem moeten opvatten’ (KrV, A647/B675). De eenheid heeft een regulatief karakter dat ‘het verstand namelijk op een bepaald doel richt, waarin de richtingslijnen van al zijn regels in één punt samenkomen. Dat punt is weliswaar slechts een idee (focus imaginarius) (KrV, A644/B672)’, en daarom blijft het gebruik van de systematische rede hypothetisch en problematisch (KrV, A647/B675). De hypothese van systematische eenheid is transcendentaal ingebed in de rede en bestaat uit 3 regulatieve principes die de systematiek tot stand brengen: de homogeniteit, de specificatie en de continuïteit (KrV, A658/B686).[7] Omdat het subjectieve principes zijn die niet aan de aard van het object zijn ontleend, noemt Kant dit de maximes van de rede (KrV, A666/B694).

Om te vermijden dat elke subjectieve willekeurige opinie een hypothese wordt is een stelling echter pas een hypothese als het voldoet aan een bepaalde voorwaarde:

‘Als de verbeeldingskracht niet mag dwepen, maar onder streng toezicht van de rede moet theoretiseren, moet er eerst altijd iets volkomen zeker zijn dat niet verzonnen of louter mening is, namelijk de mogelijkheid van het object zelf.’ (KrV, A770/B798)

De mogelijkheid van het object maakt dat de transcendentale hypothese een waarde heeft, ‘Otherwise we are not employing the understandig to explain; we are simply indulging the imagination in its tendency to dream’ (Smith, 2003, p. 543). Omdat de rede anders de systematische eenheid niet zou kunnen denken (en de systematische eenheid al zeker niet door de ervaring kan worden gegeven), is de mogelijkheidsvoorwaarde daarvan gelegen in de veronderstelling dat dit idee verbonden is met een ander idee dat het bestaan van een rede-entiteit verdedigt, dit echter uitsluitend als gezichtspunt dat een schema vormt waar  de regulatieve principes hun werk kunnen doen (KrV, A681/B709 – A682/B710). De visie die de rede-entiteit als een ding op zichzelf beschouwt en niet in relatie staat tot de zintuiglijke wereld, begaat een doorslaggevende vergissing die leidt naar een dwaalspoor en het maken van fouten die verderop aanbod komen in het deel over de neutralisatie en destructie van de rede (KrV, A689/B717 – A704/B732).

De bewering dat objectieve feitenkennis af te leiden is uit de subjectieve principes van de rede, dat door Adorno en Horkheimer werd verbonden met Kant[8], is hierbij weerlegd op basis van de aard van de transcendentale hypothese:

‘De rede heeft geen enkele gegronde bevoegdheid om louter intelligibele entiteiten, of louter intelligibele eigenschappen van dingen in de zintuiglijke wereld, bij wijze van mening aan te nemen, ofschoon ze die ook niet, op basis van vermeend beter inzicht, dogmatisch mag ontkennen. (…) Een transcendentale hypothese, waarbij wat louter een idee van de rede is, gebruikt wordt voor het verklaren van dingen in de natuur, zou daarom helemaal geen verklaring zijn, omdat men dan iets wat men op grond van empirische principes onvoldoende begrijpt, verklaart door iets waarvan men volstrekt niets begrijpt.’  (KrV, A772/B800)

Het lijkt dus aannemelijker om de systematische eenheid organisch en regulatief te bekijken i.p.v. mechanisch en constitutief, zoals voorgesteld door Adorno en Horkheimer.

2.2 DE BEHEERSING VAN DE WETENSCHAP

Het is de bewuste taak van de wetenschap om systematiek aan te brengen (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 96), ‘Het systeem moet in harmonie met de natuur gehouden worden; net zoals feiten uit het systeem worden voorspeld, moeten ze het ook bevestigen’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 96):

‘Het zijn wordt onder het aspect van zijn verwerking en beheersing beschouwd. Alles wordt tot herhaalbaar, vervangbaar proces, tot louter voorbeeld van de begripsmatige modellen van het systeem, ook de individuele mens, om van het dier maar te zwijgen. (…) De waarneming, door welke het publiek oordeel zijn bevestiging krijgt, was door dat oordeel al toegetakeld nog voor die waarneming zich voordeed. Terwijl de heimelijke utopie die in het begrip rede gelegen is, ondanks de toevallige verschillen tussen de subjecten hun verdrongen identieke belang tot oogmerk had, brengt de rede, die in het kielzog van de doelen alleen nog als systematische wetenschap functioneert, mét verschillen juist het identieke belang tot nul terug. Ze laat geen andere bepaling toe dan de classificaties van het maatschappelijk reilen en zeilen.’ (Horkheimer & Adorno, 2007, pp. 97-98)

Dit impliceert dat:

‘De wetenschap zich in het algemeen verhoudt tot de natuur en de mensen niet anders dan de verzekeringswetenschap zich in het bijzonder tot leven en dood verhoudt. Wie er doodgaat doet er niet toe, het gaat om de verhouding van de voorvallen tot de verplichtingen van de verzekeringsmaatschappij. (…). Wetenschap heeft zelf geen bewustzijn van zichzelf, zij is werktuig.’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 98)

Verlichting is volgens Adorno en Horkheimer de filosofie die de waarheid met het wetenschappelijk systeem gelijk stelt, die Kant met zijn systematische rede heeft gefundeerd. Het enige doel van de Verlichting is doorgedreven natuurbeheersing, waardoor wetenschap pure techniek wordt. (Horkheimer & Adorno, 2007, pp. 98-99) Maar ‘de omstandigheden die in een laboratorium heersen zijn echter uitzondering, (…), het komt met de reële praktijk in conflict’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 97). Deze kritiek van Adorno en Horkheimer is niet onzinnig, maar het is fout om het object van kritiek volledig te verbinden met Kant. Vanuit de aard van de transcendentale hypothese over systematiek was al duidelijk dat de rede geen enkele bevoegdheid heeft om dingen in de natuur te verklaren of te beheersen. De systematiek is  louter een idee (KrV, A772/B800).

Ook is het zeker niet evident om aan te nemen dat Kant de wetenschap wou funderen. Het wetenschapsbeeld dat Adorno en Horkheimer bekritiseren heeft kenmerken van een positivistisch reductionisme dat een objectivisme als filosofie verdedigt. Husserl kenmerkt dit wetenschapsbeeld, dat in de 20ste eeuw en vandaag de dag nog altijd sterk wordt verdedigd, als een technische wetenschap die in een crisis beland is. Ze is haar contact met haar oorsprong, die gelegen is in de leefwereld, volledig kwijtgeraakt en ze stelt de volledige gemathematiseerde wereld voor als een reële waarheid. (Husserl, 1970)  Dit resulteert in het feit dat ‘the mere science of bodies clearly has nothing to say; it abstracts from everything subjective’ (Husserl, 1970, p. 6).[9] Kant verweert zich net als Husserl tegen dit wetenschapsbeeld dat zijn constitutieve rol ophemelt. Het doel van de Kritik der reinen Vernunft is in de eerste plaats achterhalen wat de mogelijkheidsvoorwaarden van het denken zelf zijn, waardoor de begrenzing van ons kenvermogen wordt vastgelegd (KrV, B19-B25). Daarnaast is het belangrijk om in het achterhoofd te houden dat in de tijd van Kant de filosofen van de Verlichting verschillende visies verdedigden over wat wetenschap is (Sherrat, 1999), waardoor het moeilijk is om te zeggen dat de ‘Verlichting die filosofie is, die waarheid en wetenschappelijk systeem aan elkaar gelijk stelt’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 98).

Het lijkt erop dat Adorno en Horkheimer juist niet tegen Kant maar voor Kant argumenteren. Ze zijn het eens met het feit dat een reductionistische wetenschap die de abstractie en systematiek constitutief gaat gebruiken, op een dwaalspoor terechtkomt omdat ze dan de grond van de ervaring verlaat en de transcendentale illusie als reëel gaat beschouwen (KrV, A689/B717).

2.3 DE NEUTRALISATIE EN DESTRUCTIE VAN DE REDE

Adorno en Horkheimer vervolgen hun repliek door eigenschappen aan de rede toe te kennen:

‘Zolang men niet in het oog neemt wie rede aanwendt, heeft de rede niet méér affiniteit met de gewelddadige macht dan met het bemiddelde compromis; telkens afhankelijk van de situatie van individuen en groepen laat de rede vrede of oorlog, tolerantie of repressie als gegevenheid verschijnen.’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 101)

Het gevolg is dat de rede ‘on-rede, foutloze maar ook inhoudsloze procedure werd’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 104). ‘Zij is doelloze doelmatigheid geworden, die zich juist daardoor voor elk doel voor het karretje laat spannen’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 102). Hierdoor ‘vormt de eigen architectonische structuur van het systeem van Kant (…) een aankondiging van de van elk inhoudelijk doel gespeende organisatie van heel het leven’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 102). Maar is het inderdaad zo dat de rede een kwestie van onredelijke willekeur wordt, waardoor ze zichzelf neutraliseert?

Het is wel degelijk zo dat de rede in feite maar één belang heeft, namelijk de systematiek vergroten in de kennis, maar dat er wel een conflict is tussen haar maximes, die elk een andere methode hebben om het belang te dienen (KrV, A666/B694). Dit betekent echter nog niet dat het gebruik van elke willekeurige methode gerechtvaardigd is en dat de rede zomaar elk doel voor haar kar laat spannen. Ik zei al eerder dat de stelling die beweert dat de rede-entiteit op zichzelf bestaat, naar een dwaalspoor leidt (zie p. 7). Kant is er zich wel degelijk van bewust dat het gevaar voor dogmatisme om de hoek loert, wanneer zijn theorie van de zuivere rede louter constitutief wordt begrepen. Als de dictatoriale macht de zuivere rede gebruikt om het geweld als gegevenheid te laten verschijnen, wordt het idee van de rede namelijk op deze manier gebruikt. Dit is een dwaalspoor dat veroorzaakt wordt door de luiheid van de rede. Deze luie rede dient enkel nog haar eigen gemak en offert ieder inzicht op doordat ze meningen en/of dingen in de ervaringswereld een gegevenheid toekent, zonder te onderzoeken wat de grens is van het kennen. (KrV, A689/B717 – A692/B720)

De neutralisatie van rede leidt volgens Adorno en Horkheimer uiteindelijk tot haar eigen negatie:

‘Het antiautoritaire principie moet tenslotte in zijn eigen tegendeel, namelijk in instantie tegen de rede zelf omslaan: dat dit principe de afschaffing volbrengt van alles wat van zichzelf uit bindend is, stelt de machthebbers in de gelegenheid om de hun telkens adequaat voorkomende bindingen soeverein te decreteren en te manipuleren. (…). Met de formalisering van de rede wordt theorie zelf, wil ze tenminste meer zijn dan een teken van neutrale procedures, een onbegrijpelijk begrip, en denken gaat alleen nog voor zinvol door na het prijsgeven van zin.’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 107)

De willekeurigheid slaat om in destructie. Kant wordt zelfs door Adorno en Horkheimer ‘de allesvermorzelaar’ genoemd (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 107). Kant legt echter uit dat net zoals bij de beweerde neutralisatie van de rede, ook hier een dwaalspoor wordt bewandeld en dit door de verdraaide rede wordt verklaard. ‘Het idee van systematische eenheid zou alleen moeten dienen om die eenheid als regulatief principe in verbinding van de dingen volgens algemene natuurwetten te zoeken’ (KrV, A692/B720). Bij het voorbeeld van Adorno en Horkheimer wordt de rede echter een neutrale factor die zichzelf inderdaad vernietigt mocht zij bij elke gelegenheid gebruikt worden. Maar dan:

‘keert men de zaak om: men begint ermee de werkelijkheid van een principe van de doelmatige eenheid  ten grondslag te leggen, (…), en dringt dan de natuur op gewelddadige en dictatoriale wijze doelen op, in plaats van die doelen, zoals redelijk zou zijn, langs de weg van fysische studie te zoeken. Het gevolg is niet alleen dat de teleologie, (…), nu veeleer bijdraagt tot de opheffing van die eenheid, maar bovendien nog dat de rede haar eigen doel onmogelijk maakt.’ (KrV, A692/B720 – A693/B721)

Het redelijk denken bewandelt dus zeker niet eender welk pad, maar welk pad is dan wel het juiste? In ieder geval is het regulatieve pad van systematiek een oplossing, waarbij we veronderstellen dat aan onze kennis een zo groot mogelijke eenheid kan worden meegegeven, hoewel we die volmaaktheid nooit zullen bereiken. Het verdere debat om kennis te vergroten is mogelijk, mits we eerlijk te werk gaan, door rekening te houden met de grenzen van het weten en niet dogmatisch te worden in ‘bedrieglijke perspectieven die werden aangelokt om het juk van de ervaring af te werpen’ (KrV, A703/B731) (KrV, A776/B804 – A781/B809).[10] Maar, wat als zowel onze ervaring als het weten op een grens botst?

Ten eerste is het belangrijk dat we de rede bevelen om zich te ontkleden en zich in haar naaktheid te presenteren. Hierdoor komt haar ware karakter bloot te liggen. Dit komt het sterkst tot uiting bij de secties over de antinomieën van de zuivere rede. De rede spruit constant bepaalde vragen, die het verstand niet kan oplossen, omdat je zowel voor de these als voor de antithese evenwaardige argumenten kan vinden. De antinomieën ontstaan omdat de rede op een grens stuit, maar wel constant de vragen als belangrijk acht. (KrV, A406/B433 – A567/B595) Dit is de transcendentale schijn die de aard van de rede blootlegt (KrV, A406/B433-A407/B434):

‘Tot ongeluk voor de speculatie (maar misschien tot geluk van de praktische bestemming van de mens) ziet de rede zichzelf, te midden van haar grootste verwachtingen, zo ingesloten in een gedrang van argumenten en tegenargumenten, dat haar eer, noch haar veiligheid haar toestaan zich terug te trekken om onverschillig bij dit conflict toe te kijken, alsof het louter een schijngevecht was; nog minder kan ze zomaar vrede verordenen, omdat de inzet van strijd van zeer groot belang is. Er blijft de rede dus niets anders over dan te overwegen of deze onenigheid met zichzelf louter te wijten is aan een misverstand; en of, na opheldering daarvan, de trotse pretenties aan beide zijden misschien wegvallen om plaats te maken voor een duurzaam en rustig bewind van de rede over verstand en zintuigen.’ (KrV, A464/B492-A465/B493)

Dit inzicht in de natuur van de rede, maakt dus dat we volgens Kant plaats kunnen maken voor een gegrond geloof in filosofie waarover hij in het voorwoord al sprak:

‘Ik moest dus het weten opheffen, om plaats te verkrijgen voor het geloof. Het vooroordeel dat in de metafysica vooruitgang geboekt kan worden zonder een kritiek van de zuivere rede, is de ware bron van alle ongeloof dat strijdig is met de zedelijkheid, en dat altijd zeer dogmatisch is.’ (KrV, Bxxx)

Kant wordt de stichter van de transcendentale filosofie, een veelbelovende nieuwe filosofie die ons nieuwe paden laat bewandelen. ‘Alleen de kritische weg ligt nog open.’ (KrV, A856/B884)  zegt Kant op einde van de Kritik der reinen Vernunft. De grenzen aftasten en beseffen dat er altijd iets ontglipt dat we niet kunnen opvullen leidt ons naar een verwondering over de wereld, waarbij het geloof waar Kant op doelt ons verder kan helpen. Want zoals Adorno en Horkheimer zeggen:

‘Niet het bestaan is zonder hoop maar het absoluut weten, dat zich in de beeldende of mathematische symbool schematisch van het bestaan meester maakt en het zo vereeuwigt.’ (Horkheimer & Adorno, 2007, p. 41)

CONCLUSIE

 

Zowel de Kritik der reinen Vernunft als de Dialektik der Aufklärung heeft een waarde en invloed op de filosofie die niet te meten valt. Ik heb in deze paper duidelijk gemaakt dat in beide boeken belangrijke en waardevolle passages aanwezig zijn. In het eerste deel van deze paper schetste ik de radicale kritiek die Adorno en Horkheimer leveren op de verlichtingsidealen. Hier kwam tot uiting dat de omgevingsfactoren, waarin de auteurs het boek schreven in rekening moet worden gebracht bij de verklaring van hun beschrijving van de pessimistische wereld. De rode draad die door hun werk loopt is de stelling die zegt dat de Verlichting een filosofie is van machtsbeoefening, waarbij de rede het instrument wordt om de mens naar voren te laten treden als heer en meester over de natuur. Dit zal zich uiteindelijk zo sterk doordrijven, dat het zich zal keren tegen de mens zelf.

In de rest van de paper heb ik specifiek ingezoomd op de kritiek die Adorno en Horkheimer geven op Kant. Hierin werd ten eerste duidelijk dat de perceptie van Kant, die de Dialektik der Aufklärung presenteert, voor discussie vatbaar is. Het is waar dat Kant de rede een functie van systematische eenheid toekent, maar dit mogen we niet begrijpen als een constitutieve eenheid. De redelijke systematiek moet altijd begrepen worden als een regulatief principe dat ingebed is in onze kenstructuren, waardoor het zich niet kan uitspreken over de aard van de dingen op zichzelf. Door rekening te houden met deze perceptie van de systematische eenheid, heb ik vervolgens geconcludeerd dat de kritiek die Adorno en Horkheimer geven vooral gericht is tegen een reductionistische manier van wetenschapsbeoefening, die de betekenis van hun technische activiteit kwijt is. Hun kritiek op zich daartegen is wel waardevol en het is belangrijk om deze serieus te nemen, maar het is fout om de visie te linken met de filosofie van Kant.

Adorno en Horkheimer argumenteren uiteindelijk dat de rede zichzelf tot instrument neutraliseert, wat leidt tot zijn zelfdestructie. A.d.h.v. passages uit de Kritik der reinen Vernunft heb ik aangetoond dat deze visie veroorzaakt wordt door enerzijds de luiheid van rede en anderzijds doordat de rede in verwarring wordt gebracht, waarbij de willekeurig de machthebber wordt. Hierdoor werd duidelijk dat het juiste gebruik van de rede, zich zal tonen als het zichzelf blootlegt. Dit leidt tot een begrenzing van de rede, waarmee de kritiek van de zuivere rede volgens Kant bereikt is. Wat volgt is een gegrond geloof in de kritische transcendentale filosofie, die nieuwe paden kan bewandelen. Uit dit alles concludeer ik dat hoewel Adorno en Horkheimer hun argumentatie teveel richten tegen Kant, hun kritiek echter nog altijd waarde heeft. Zeker als we het object van hun kritiek goed begrijpen en omdat de vraag hoe we ons tot de wetenschap en techniek moeten verhouden, zeer belangrijk is in een tijdsgeest waarin echte reflectie meer en meer wordt afgestompt.

BIBLIOGRAFIE

 

Horkheimer, M., & Adorno, T. (2007). Dialectiek van de Verlichting: Nederlandse editie. Boom : Amsterdam.

Husserl, E. (1970). The Crisis of European Sciences and Transcendental Phenomenology: introduction and translating by David Carr. Evanston: Northwestern University Press.

Janke, T. (2008, Juni). A Freewheeling Defense of Kant’s Resolution of the Third Antinomy. Kritike, 110-122.

Kant, I. (2004). Kritiek van de Zuivere Rede: Nederlandse editie. Amsterdam: Boom.

Sherrat, Y. (1999). The Dialectic of Enlightenment: a contemporary reading. History Of Human Sciences, 35-54.

Smith, N. K. (2003). A Commentary to Kant’s Critique of Pure Reason. New York: Palgrave Macmillan.

Thérien, C. (sd). Les lumières et la dialectique: de Hegel à Adorno et Horkheimer. Trois-Rivières: Université de Québec.

Wiggershaus, R. (2005). Kopstukken filosofie: Adorno. Rotterdam: Lemniscaat.


[1] Het werk kende een geleidelijke verspreiding. Eerst werd het bekend in Amerika en Europa, daarna in andere plaatsen op de wereld. In april 1969, toen het werk al in grote oplage verkocht was, brachten Adorno en Horkheimer het boek in een nieuwe editie uit omdat de gedachtegang nog steeds erg actueel was (Horkheimer & Adorno, 2007, pp. 7-8).

[2] Dit is eveneens het deel van het boek dat ik behandel in deze paper. De andere hoofdstukken over cultuurindustrie, elementen van het antisemitisme en aantekeningen met ontwerpen zijn uiterst interessant maar weinig relevant voor dit onderzoek.

[3] In de context van Adorno en Horkheimer is het misschien beter om de Verlichting als dieptepunt te beschouwen.

[4] Deze argumentatie wordt veelvuldig gebruikt door Adorno en Horkheimer om het verband tussen de Verlichting en het fascisme aan te tonen. (Horkheimer & Adorno, 2007, pp. 183-225)

[5] Dit verwijst naar de idee van vervreemding. Het wetenschappelijk denken creëert een soort kunstmatige tweede natuur. De snelle vooruitgang van die natuur zorgt dat onze oorspronkelijke natuur stilletjes aan verloren gaat en uiteindelijk zal verdwijnen. Zie ook discussie over techniekfilosofie (namen als Heidegger, Hans Jonas, Achterhuis of de japanner Tetsuro Watsuji zijn hier uiterst interessant)

[6] In deze inleiding wordt al meteen duidelijk hoe relevant (3) is. Sherrat wijst er terecht op dat Adorno en Horkheimer de term Verlichting te pas en te onpas gebruiken in hun boek. Door historici wordt het gezien als de historische periode tussen circa 1660 en 1800 die een bepaalde set van waarden verdedigt. In de Dialektik der Aufklärung wordt het gezien als een filosofische cultuur die al veel vroeger aanwezig was met als voornaamste doelstelling het verwerven van kennis. (Sherrat, 1999)

[7] Ik ga niet verder in op deze drie principes om de relevantie met Adorno en Horkheimer niet te verliezen. Zie (KrV, A658/B686) tot (KrV, A669/B697) voor verdere bedenkingen.

[8] Door deze bewering aan Kant te linken lijken Adorno en Horkheimer meermaals Kant te interpreteren als een platonist i.p.v. als een transcendentale denker.

[9] Het kan mogelijk interessant zijn om de gedachtegang van Adorno en Horkheimer verder te vergelijken met de ideeën van Husserl in Die Krisis der europäischen Wissenschaften und die transzentale Phänomenologie: Eine Einleitung in die phänomenologische Philosophie (1936).

[10] In de passages van de laatste verwijzing, wordt uitgelegd met voorbeelden hoe zo’n debat a.d.h.v. hypothesen kan gevoerd worden.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Other. Bookmark de permalink .

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s