Other (5): Geloven in dé epistemische redenen: een illusie?

1. Inleiding

Hoewel rationaliteit een term is die veel in ons dagelijkse leven wordt gebruikt, is het begrip zeker niet zo duidelijk zoals het zich voordoet. Een analyse van de notie van rationaliteit is noodzakelijk om helderheid te bestendigen, vooraleer je de rol en consequenties van het begrip kan begrijpen voor epistemologische theorieën. Het begrip is eveneens slechts te begrijpen, wanneer we duidelijk zicht hebben op de draagwijde ervan. In het eerste deel van deze paper tracht ik deze draagwijde uit te werken. Vanuit de klassieke invulling van rationaliteit door verlichtingsdenkers zoals Kant, probeer ik de voldoende en noodzakelijke voorwaarden van rationaliteit te construeren. Dat dit geen eenvoudige opgave is, wordt bevestigd door het antropologische voorbeeld van de overtuigingen van de Centraal-Afrikaanse stam ‘de Azande’.

Dit leidt in deel 2 van een discussie over de aard van goede epistemische redenen voor een overtuiging, naar het debat over hoe overtuigingen kunnen worden verklaard. Een relativistisch standpunt wordt hier tegenover een absolutistische overtuiging geplaatst. Ik vergelijk deze standpunten en werk eerst vanuit een sociologische invalshoek een kritiek uit op het absolutisme van de filosoof Paul Boghossian, gevolgd door een psychologische insteek waarin het concept van ‘begrensde rationaliteit’ centraal staat. Ik probeer op een inleidende manier uit te werken welke invloed deze zaken hebben op relativistische theorieën.

De casus van de Azande-stam zal doorheen heel de paper gebruikt worden om de kritieken te illustreren. Ik zal me fixeren op drie argumenten die Boghossian uitwerkt in zijn boek Fear Of Knowledge. De paper eindigt met een voorlopige conclusie over de gevonden resultaten.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2. Het azande raadsel

2.1 Rationaliteit

Voor Immanuel Kant, het hoogtepunt van de verlichting, was rationaliteit ‘a capacity for making judgments or having beliefs’ (Bennett, 1964, p. 2). Enkel volledig rationele wezens kunnen oordelen en overtuigingen vormen. De mens is het rationeel wezen bij uitstek en krijgt daardoor een verhevenheid t.o.v. andere dierlijke wezens. Volgens Jonathan Bennett is die verhevenheid een gevolg van de menselijke linguïstiek, die een belangrijk kenmerk is van de notie rationaliteit. Vanuit de analyse van niet-menselijke wezens probeert hij stap voor stap te begrenzen welke facetten van het menselijk spreken de rationaliteit manifesteren. De taalkundige dimensie wordt ingevuld door het klassieke logisch redeneren, waarbij consistentie, coherentie en algemeenheid wordt beschouwd als de heilige triniteit van het rationele spreken. Na een lange analyse van deze triniteit besluit hij dat het bezit van een taalkundige dimensie een noodzakelijk, maar geen voldoende kenmerk is voor rationaliteit. Dit is deels te verklaren omdat er bepaalde dieren zijn die wel een gesofisticeerde taal hebben maar niet rationeel zijn.[1] (Bennett, 1964)

Dat de klassieke logica een minder heilige boom is dan aanvankelijk gedacht, kunnen we kaderen in de zoektocht naar de andere noodzakelijke voorwaarde voor rationaliteit. De taalkundige dimensie blijkt niet voldoende te zijn om de volledige draagwijde van rationaliteit te begrijpen en we moeten bijgevolg grenzen blijven afschuimen. De zoektocht stuit op een bekend voorbeeld in de antropologie, dat ons verder laat nadenken over wat rationaliteit juist inhoudt. In Centraal Afrika leeft een stam de Azande, die gelooft in volgende claims (Taylor, 1982, pp. 87-88):

Claim 1: Hekserij is een erfelijk overdraagbare ‘ziekte’

Claim 2: De stam Azande is een stam die volledig erfelijk aan elkaar hangt.

Claim 3: Als iemand van de Azande-stam overlijdt, dan kan je in het lijk een substantie van hekserij terugvinden.

Claim 4: Als je een substantie vindt in de overledene dan is de persoon een heks.

 

Als deze claims waar, dan leiden ze volgens de fundamentele consistente logicaregels tot de volgende gevolgtrekkingen:

 

  1. 1.       Overtuiging volgens consistente logicaregels (moderne wetenschap):

Wanneer propositie A ‘iemand sterft van de stam en je ontdekt de substantie van hekserij’ waar is dan geldt propositie B ‘alle leden van de stam zijn heksen’ .

Wanneer propositie ¬A ‘iemand sterft van de stam en je ontdekt geen substantie van hekserij’ waar is, dan geldt propositie ¬B ‘alle leden van de stam zijn geen heksen’.

 

De Azande maken echter in dezelfde situatie (bij het geloven in de 4 claims) de volgende conclusie:

 

  1. 2.       Overtuiging Azande:

Wanneer propositie A waar is, dan geldt enkel propositie A dat leidt tot ‘de overledene is een heks’. Propositie B blijft onbeantwoord.

Wanneer propositie ¬A waar is, dan geldt enkel propositie ¬A dat leidt tot ‘de overledene is geen heks’. Propositie ¬B blijft onbeantwoord.

 

Volgens onze voorlopige definitie van rationaliteit, kunnen we de overtuiging van de Azande als irrationeel bestempelen. Peter Winch argumenteert echter dat de Azande een ander rationeel systeem kan hebben dan het onze, omdat ze ander taalsysteem hanteren (Taylor, 1982, p. 88). Hij focust echter teveel op de taalkundige dimensie van rationaliteit. De Amerikaanse filosoof Charles Taylor stelt daarom voor om verdere voorwaarden van rationaliteit bloot te leggen. Het is belangrijk om te analyseren op welk soort activiteit wij in vergelijking met de Azande gericht zijn. De moderne wetenschap probeert de essenties in de werkelijkheid te verstaan, wat leidt tot een studie van de realiteit op basis van theoretisch begrip. De Azande willen echter gewoon een attitude aannemen t.o.v. de contingente dingen. Dit doen ze a.d.h.v. een symbolische activiteit zoals hekserij die betekenis geeft aan de contingentie (Taylor, 1982, pp. 88-101).

De twee bovengenoemde activiteiten zijn incommensurabel. Er zijn geen dwingende redenen om theoretisch inzicht te kiezen boven symbolische zingeving, omdat ze inherent verbonden zijn aan elkaar[2] met als gevolg dat er geen derde term meer is die er kan voor zorgen dat je het ene boven het ander kiest. Het zou immers fout zijn om vanuit een theoretische cultuur een atheoretische cultuur als minderwaardig te beoordelen, omdat dit inefficiënt en eurocentrisch is. Taylor stelt dat, hoewel de activiteiten van de Azande en de moderne wetenschap incommensurabel zijn, we toch kunnen zeggen dat de Overtuiging volgens consistente logicaregels rationeler is dan de Overtuiging Azande . Dat er geen dwingende redenen zijn om het ene boven het andere te kiezen, betekent echter niet dat er geen goede epistemische redenen zijn om dit wel te doen. Deze goede redenen vindt hij in de noodzakelijke verbondenheid van rationaliteit met theoretisch inzicht. De superioriteit van de wetenschap ligt in het feit dat ze vooruitgang boekt in het verstaan van het fysische universum. Het argument van Taylor gaat als volgt (Taylor, 1982)[3]:

  1. Als er meer theoretisch inzicht is in de natuurlijke wereld, dan is er meer technologische controle van de natuurlijke wereld.
  2. Als er meer technologische controle van de natuurlijke wereld is, dan is er meer vooruitgang in kennis.
  3. Als er meer vooruitgang is in kennis, dan is er meer rationele superioriteit.
  4. De Azande-overtuiging toont geen groei in technologische controle over de natuurlijke wereld, dus ze maakt geen vooruitgang, waardoor ze minder rationele superioriteit bevat dan de moderne wetenschap.

Het succes van de wetenschap ziet Taylor dus als de goede epistemische reden om te concluderen dat de Azande minder rationeel superieur zijn dan wij. De vraag die echter volledig onbeantwoord blijft is waarom de stamleden dan geloven in Overtuiging Azande en welke goede redenen ze daarvoor hebben. De problematiek van Taylor komt immers nog altijd tot uiting in de beslissing om zijn goede epistemische redenen als superieur te beschouwen, zonder deze te vergelijken met de goede epistemische redenen van de Azande. Om een duidelijk standpunt in te nemen over het rationele statuut van de Azande, is het noodzakelijk om uit te maken wanneer iets een epistemisch goede reden is en te verklaren waarom de Azande geloven wat zij geloven. De discussie over rationaliteit verplaatst zich hierdoor naar dit ijkpunt van de sfeer van goede epistemische redenen waar een heftige discussie ontspruit tussen relativisme en absolutisme.

2.2 goede epistemische redenen

De verplaatsing van het debat naar de sfeer van goede epistemische redenen zorgt voor een discussie over de rationele verklaring van overtuigingen. We hebben epistemische overtuigingen omdat we goede epistemische redenen hebben voor die overtuigingen. Goede epistemische redenen kunnen worden gevormd op basis van vaststaande feiten en bewijsmateriaal, contingente noden en interesses of  een combinatie van de twee. Goede epistemische redenen vanuit het eerstgenoemde zijn absoluut goede epistemische redenen. Goede epistemische redenen vanuit de andere basissen zijn relatief goede epistemische redenen. Ik sluit hier uit dat je een rationele overtuiging kunt hebben zonder er één enkele reden voor te hebben. Ik behandel naar aanleiding van deze discussie eerst een sociaal- en een psychologisch constructivisme.

 

Overtuiging Constructivisme van rationele verklaring (Boghossian, 2006, p. 23):

Het is onmogelijk om te verklaren dat de Azande uitsluitend op basis van de blootstelling aan het relevant bewijsmateriaal Overtuiging Azande  geloven: de contingente noden en interesses van de stam moeten ook in rekening worden gebracht.

 

Dit relativistisch standpunt wordt o.a. verdedigd door Barnes & Bloor. Ze gaan op zoek naar specifieke lokale oorzaken voor de geloofwaardigheid van elke overtuiging en ondersteunen dit met empirisch onderzoek. Omdat elke persoon redeneert vanuit een bepaalde sociale context is het onmogelijk om zeker te zijn van een sfeer van absolute goede epistemische redenen voor overtuigingen die enkel  gebaseerd zijn op pure feitelijke bewijzen. Het gevolg is dat je geen onderscheid kunt maken tussen de geldigheid en de geloofwaardigheid van je overtuigingen, waardoor er geen superculturele rationaliteit is die kan uitmaken dat Overtuiging Azande een ongeldige overtuiging is.

De omvang van de sterke argumentatie van Barnes & Bloor heeft echter een zeer sociologische invalshoek. Ze willen het punt aanduiden waar de absolutist goede epistemische redenen als absoluut geloofwaardig gaat beschouwen, door sociale factoren te duiden en de invloed ervan te analyseren (cfr. infra.). Invloedrijke factoren die ze echter minder prominent duiden zijn van psychologische aard. Om beter zicht te krijgen op de psychologische factoren die invloed hebben op onze overtuiging dat we goede epistemische redenen hebben om iets te geloven, behandel ik het concept van ‘begrensde rationaliteit’.

Begrensde rationaliteit werd door de Amerikaanse psycholoog/socioloog Herbert Simon geïntroduceerd om een betere zicht te krijgen op de redeneervormen van mensen in actuele realistische situaties. Het is een theorie van de besluitvorming die gebaseerd is op volgende stellingen (Simon, 1982) :

  1. De mens kan onmogelijk alle alternatieven voor een beslissing kennen.
  2. De alternatieven die hij wel kent kan hij niet allemaal gelijktijdig vergelijken. Hij doorloopt  daarom een sequentieel zoekproces, waardoor hij de alternatieven één voor één bekijkt en vergelijkt.
  3. Als gevolg van de eerste twee axioma’s zal de mens niet het optimale alternatief kiezen. Hij zal daarentegen het eerste voldoening gevende alternatief kiezen.
  4. De mens beschikt over een set routineacties, die hij gebruikt om gelijkende problemen op te lossen.
  5. Deze routineacties bestaan alle los van elkaar (het loosly-coupled-axioma).
  6. Elk probleem wordt gelijktijdig met het bestaande doel en de bestaande middelen beschouwd.
  7. Door axioma’s 4 en 5 zal het sequentieel zoekproces uit axioma 2 pas in werking treden, als de routineacties niet meer volstaan.

De ‘begrensde rationaliteit’ geeft een alternatief beeld weer over hoe rationaliteit werkt en hoe rationaliteit leidt tot het tot stand komen van een overtuiging. Modellen van ‘begrensde rationaliteit’ beschrijven hoe een overtuiging tot stand komt langs heuristieken en strategieën. Eerder dan wat de uitkomst is van een beslissing, beschrijven ze welke omgevingen ervoor zorgen dat de heuristieken slagen of falen. De heuristieken reageren op de idee dat de mens in een optimale toestand zit om een rationele epistemische overtuiging te construeren (Doyle, 1998, pp. 1-6). Rationaliteit wordt niet meer gezien in termen van consistentie, algemeenheid en coherentie maar wel in termen van snelheid, zuinigheid en rekenkundige goedkoopheid. In het alledaagse leven maken we overtuigingen op basis van gelimiteerd onderzoek in tijd en ruimte, waarbij we kiezen voor de meest bevredigende overtuiging. (Gigerenzer & Selten, 2001, pp. 1-13)

Omdat elke omgeving een ander kader van tijd en ruimte heeft, zal bijgevolg iedere omgeving ook andere heuristieken gebruiken om een overtuiging te staven. Er zijn echter drie fundamentele structurele kernprocessen die bij de vorming van alle overtuigingen aanwezig zijn volgens wetenschappelijk onderzoek (Gigerenzer & Selten, 2001, p. 8):

  1. Eenvoudige zoekregels: we voegen stap per stap informatie van de werkelijkheid toe aan ons denkapparaat.
  2. Eenvoudige stopregels: de eerste bevredigende overtuiging die gebaseerd is op die informatie zien we als een ware overtuiging.
  3. Eenvoudige beslissingsregels: de manier waarop je handelt en uitspraken doet over de werkelijkheid is gebaseerd op die eerst bevredigende overtuiging. Je bent altijd beperkt in tijd en ruimte om verder informatie te blijven zoeken.

De manier waarop deze structurele processen ingebed geraken in de structuur van de omgeving heet ‘ecologische rationaliteit’. Omdat elke persoon in een cultuur aanwezig is en elke cultuur een andere ecologische rationaliteit bevat, zijn ze ook gebonden aan psychologische factoren die hun overtuiging tot stand brengen. Hun idee van geldigheid en geloofwaardigheid is hier mede door bepaald. Door de combinatie van gelimiteerd onderzoek en culturele factoren worden andere doeleinden ontwikkeld. De ene persoon streeft hierdoor consistentie na, terwijl de andere snelheid of nauwkeurigheid als maatstaf neemt om zijn overtuiging te vormen (Gigerenzer & Selten, 2001, p. 9). Het gevolg is dat de overtuiging van mensen nooit puur op basis van het relevant bewijsmateriaal kan worden verklaard. Ik kom hier later op terug, maar het is eerst belangrijk om de absolutist in het debat te betrekken.

3. De begrensde absolutist

De absolutist Paul Boghossian probeert zich tegen bovenstaande redeneringen te verzetten. Hij richt zich tegen de constructivistische visies door hun symmetrieprincipes aan te vallen. De relativist zegt dat de oorzaken voor een geloofwaardige overtuiging of een geldige overtuiging van dezelfde soort is, namelijk een sociale (Barnes & Bloor) of psychologische oorzaak (begrensde rationaliteit).

Ik bekijk de 3 prominente argumenten voor objectivisme van rationale verklaring die Boghossian verdedigt in zijn boek Fear of Knowledge (2006).

Overtuiging Objectivisme van Rationele verklaring (Boghossian, 2006, p. 22):

Als de Azande-stam rationeel is dan is onder de juiste omstandigheden de blootstelling aan bewijzen genoeg om uit te leggen waarom de Azande-stam gelooft in Overtuiging Azande net zoals de bewijzen genoeg zijn om uit te leggen waarom de wetenschap gelooft in Overtuiging volgens consistente logicaregels.

Ik probeer te kijken of de argumenten werkelijk een probleem vormen voor de epistemische constructivisten. Ik laat de bespreking van het symmetrieprincipe van waarheid achterwege.[4]

3.1 symmetrie van rationaliteit

Als de symmetrie van rationaliteit stand houdt, kunnen we nooit concluderen dat Objectivisme van Rationele verklaring juist is. Het symmetrie-principe van rationaliteit houdt in dat alle overtuigingen gelijkwaardig zijn op basis van de oorzaken voor hun geloofwaardigheid. De aard van de oorzaken van de rationele en irrationele overtuiging is dus dezelfde.

3.2.1  Argument 1: de oorzaak van een overtuiging

Het eerste tegenargument van Boghossian gaat als volgt:

First, and as I previously mentioned, it is impossible to see what would prevent our epistemic reasons from sometimes causing our beliefs. Our epistemic reasons are just experiences and thoughts that bear an appropriate justificatory relationship to our beliefs. What could possibly stop them from occasionally causing those beliefs?’ (Boghossian, 2006, p. 117)

Het probleem met dit argument is dat het apriori vastlegt dat er een sfeer van absoluut goede epistemische redenen bestaat.[5] Hij stelt dat het mogelijk is dat die absoluut epistemische redenen onze overtuigingen dan veroorzaken. Dit is echter niet iets dat door de auteurs van ‘begrensde rationaliteit’ of door Barnes & Bloor wordt weerlegd. Niemand van deze auteurs ontkent dat we opvattingen vormen op basis van goede epistemische redenen, maar ze stellen wel de absolute geldigheid van de redenen in vraag. We kunnen absolute goede epistemische redenen geven volgens Boghossian op basis van redeneringen of op basis van pure ervaringen. Ik behandel beide zaken apart.

‘Our epistemic reasons are just thoughts’

Barnes & Bloor proberen met argumenten te ontkrachten dat er zoiets zou bestaan als ‘dé absoluut goede epistemische redenen’ voor bijvoorbeeld Overtuiging volgens consistente logicaregels (moderne wetenschap). Hun kritiek richt zich op de zogenaamde ‘common core of true beliefs and rationally-justified patterns of inference’, die net als door Boghossian, ook door (Hollis, 1982) wordt verdedigd. Dit is een set van overtuigingen die gebaseerd zijn op de fundamentele wet van non-contradictie. Als iedereen werkelijk deze overtuigingen heeft dan moet er zoiets bestaan als context-onafhankelijke absoluut goede epistemische redenen om dat te geloven. (Hollis, 1982) geeft twee argumenten voor het bestaan van die absoluut goede epistemische redenen:

–          Zonder de common core kunnen culturen niet communiceren, want dan is vertaling van de ene cultuur naar de andere onmogelijk.

–          Er zijn simpele inferenties die alle mensen dwingend moeten aanvaarden.

Barnes & Bloor zeggen dat de argumenten geen enkele empirische basis hebben en ze aanvaarden ze daarom niet. Men kan perfect communiceren met andere culturen door kleine elementen van woorden te verwerven op basis van de conventies van de specifieke cultuur, of door langs trial and error procedures van aanwijzing betekenisoverdracht te creëren. Een perfecte vertaling is niet mogelijk en niet wenselijk. Ook het tweede argument heeft geen empirische basis die zorgt voor het bestaan van de common core. We kunnen onmogelijk vanuit een bepaalde omgeving aantonen dat bepaalde simpele inferenties aanwezig zijn in een niet-contextuele omgeving. Het gevolg is dat een absolute geldigheidstheorie niets meer met de actuele werkelijkheid te maken heeft, maar puur op basis van analytische redeneringen tot de beslissing komt dat er absoluut goede epistemische redenen zijn om Overtuiging Azande niet te aanvaarden. Barnes & Bloor concluderen dat er enkel contextafhankelijke standaarden zijn die zorgen dat je relatief goede epistemische redenen hebt voor Overtuiging volgens consistente logicaregels (moderne wetenschap). (Barnes & Bloor, 1982, pp. 21-47)

‘Our epistemic reasons are just experiences’

Als de common core geen empirische basis heeft en een verbeeld construct blijkt te zijn, wat doen we dan met goede epistemische redenen die gebaseerd zijn op directe empirische observaties? Hoewel het in de eerste instantie onmogelijk lijkt dat directe observaties van feiten geen absoluut goede epistemische redenen zijn voor een overtuiging, geven Barnes & Bloor een aanzet om hieraan te twijfelen. De chemici Lavoisier en Priestley hebben bijvoorbeeld dezelfde feiten bestudeerd a.d.h.v. dezelfde observaties, maar kwamen toch tot radicaal verschillende overtuigingen.[6] De lokale oorzaken die geleid hebben tot goede epistemische redenen kunnen eventueel worden verklaard door ideeën van de ‘begrensde rationaliteit’. (Barnes & Bloor, 1982, pp. 33-35)

Mensen construeren in actuele situaties hun overtuigingen niet op een optimale manier. Doordat ze gelimiteerde tijd en ruimte hebben om alles overzichtelijk te houden, vormen ze hun overtuigingen op basis van de hierboven besproken structurele processen. De manier waarop dit gebeurt is complex, maar er wordt besloten dat hoewel de beschikbare informatie (de observaties) hetzelfde kan zijn je toch tot verschillende overtuigingen kunt komen. Door bepaalde persoonlijke en culturele invloeden in het verleden, gaat elke mens op een andere unieke manier aan de slag met de informatie die voor hem beschikbaar is. Door beschikbaarheidsheuristieken te analyseren kan je hierdoor meer greep krijgen op de manier waarop dit gebeurt. Zo worden bijvoorbeeld de rationaliteitsprincipes, zoals hierboven aangetoond geswitcht van belang voor consistentie naar belang voor snelheid. Door actuele situaties te analyseren ontdekte men dat mensen geen klassieke logicaregels hanteren bij het maken van hun overtuigingen, maar zich baseren op niet-monotone logicas (Doyle, 1998, pp. 1-6).[7] Als mensen geconfronteerd worden met observaties, dan moeten ze eerst een betekenis construeren van die observaties op basis van niet monotone logicas, om zo te bepalen wat de goede epistemische redenen zijn voor hun overtuiging (Lambalgen, 2010, p. 44).

De niet-monotone logicas geven weer dat elke overtuiging geconstrueerd is door na te gaan welk van de alternatieve overtuigingen volgens een bepaalde maatstaf de meest bevredigende optie is. Wat die maatstaf is hangt dan weer af van de context waarin men zich bevindt. Het verschil tussen de Azande en de moderne wetenschap geeft dit eveneens illustratief weer. De Overtuiging Azande is waarschijnlijk geconstrueerd op een manier waardoor symboliek gehandhaafd bleef. De meest geldige overtuiging is meteen diegene die het meest symbolische activiteit veroorzaakt. De Overtuiging volgens consistente logicaregels (moderne wetenschap) is waarschijnlijk eerder geconstrueerd met het idee om efficiëntie en snelheid na te streven voor toekomstige gebeurtenissen.[8] De overtuiging dat er absoluut geldige redenen zijn is echter ook op dezelfde manier geconstrueerd dan voorgaande overtuigingen, waardoor je deze overtuiging niet als meer rationeel kunt beschouwen als de rest.

Uit dezelfde observaties kan men dus verschillende goede epistemische redenen hebben om radicaal verschillende overtuigingen te geloven. Het eerste argument van Boghossian is minder sterk dan op het eerste zicht lijkt. Epistemische redenen kunnen wel degelijk onze geloofsovertuigingen veroorzaken, maar de aard van die goede epistemische redenen is van sociale en psychologische aard bepaald. Het bestaan van de absoluut goede epistemische redenen berust op een verwarring.

 

3.2.2 Argument 2: vooroordelen

Het tweede tegenargument van Boghossian gaat als volgt:

‘Second, we need to be able to make a distinction between a belief that is to be commended for being appropriately grounded in a consideration which justifies it, versus one that is to be criticized as merely grounded in prejudice. But as John Dupré has rightly pointed out, that sort of distinction would be rendered impossible by a symmetry principle about rationality:

By asserting that all scientific belief should explained in goals, interests, and prejudices of the scientist, and denying any role whatever for the recalcitrance of nature, it leaves no space for the criticism of specific scientific beliefs on the grounds that they do reflect such prejudices rather than being plausibly grounded in fact.’ (Boghossian, 2006, pp. 117-118)

Als we dit argument bekijken na de discussie over argument 1, wordt het duidelijk op welk niveau deze kritiek is geënt. Als alle overtuigingen contextafhankelijk zijn, hoe kunnen we dan nog een onderscheid maken tussen een vooroordeel en een gegronde overtuiging? Op basis van een vergelijking tussen verschillende sociale contexten leek dit vanuit argument 1 onmogelijk, omdat er geen externe standaard van kritiek is die kan uitmaken wie er een meer rationele overtuiging heeft dan de andere. Maar dit betekent niet dat het verschil tussen vooroordelen en gegronde overtuigingen volledig verdwijnt. Als de Overtuiging volgens consistente logicaregels (moderne wetenschap) geconstrueerd is vanuit een context die interesse heeft in bijvoorbeeld snelheid en efficiëntie, kan ze een intern onderscheid maken tussen overtuigingen die volgens deze standaarden zijn gevormd en deze waarbij dat niet is gebeurd. Binnen het kader van de wetenschap is het perfect verantwoord om kritiek te geven op andere wetenschappelijke overtuigingen.

Deze discussie stelt natuurlijk de vraag of er dan toch niet een vergezochte externe standaard zou bestaan die de goede epistemische redenen van je overtuigingen absoluut kunnen maken. Een gelijkaardig voorstel is bijvoorbeeld gegeven door de filosoof John Kekes. Hij stelt dat het oplossen van problemen een externe standaard is voor rationaliteit. Een overtuiging die tot doel heeft een probleem op te lossen in de werkelijkheid, is rationeel en daarom heb je een absoluut goede epistemische redenen om die overtuiging te geloven. Hij definieert verschillende theoretische en atheoretische probleemgebieden en komt uiteindelijk uit bij het ruime begrip problems of life. Een theorie die een set van overtuigingen heeft die levensproblemen wil oplossen is rationeel en heeft absoluut goede epistemische redenen om erin te geloven. (Kekes, 1987, pp. 265-275)

Deze argumentatie laat echter niet toe om te stellen dat je voor Overtuiging volgens consistente logicaregels (moderne wetenschap) een betere goede epistemische redenen hebt om te geloven dan voor Overtuiging Azande. Het verandert enkel een standpunt van een doorgedraaide relativist ( elke overtuiging is even goed) naar een pluralistische denker die oog heeft voor het subtiele verschil tussen de praktijken van de Azande en de moderne wetenschap, die elk hun relatief goede epistemische redenen hebben om bepaalde problemen in hun gebonden contextuele omgeving op te lossen (Kekes, 1987, p. 275).

 

3.2.3 Argument 3: zelfweerlegging

Het derde argument van Boghossian gaat als volgt:

‘Finally, and relatedly, there is a looming problem of self-refutation. Wouldn’t anyone promoting the view that epistemic reasons never move people to belief need to represent himself as having come to that view precisely because it is justified by the appropriate considerations?’ (Boghossian, 2006, p. 118)

Dit is een veelgehoord argument tegen relativisme. De constructivist is zelf tot Overtuiging Constructivisme van rationele verklaring gekomen a.d.h.v. goede epistemische redenen. Waarom zouden we hem dan nog moeten geloven? Deze kritiek mist volgens mij de essentie van het relativistisch verhaal. De constructivisten willen niet zozeer de absolute kennis van de werkelijkheid bij een bepaalde groep van personen leggen. Ze willen duidelijk maken dat er erkenning nodig is voor andere mogelijke manieren om kennis over de wereld op te doen. Het is leerrijk om hier terug te koppelen naar wat Taylor in het begin van deze paper zei. De Azande vormen hun overtuigingen op basis van interesse in symboliek, terwijl de moderne wetenschap zich meer met theoretisch inzicht bezighoudt. Het verschil in interesses kan worden omgezet in termen van ‘begrensde rationaliteit’. De redelijkheid van een overtuiging wordt bepaald door de ecologische rationaliteit, niet vanuit een coherentie of interne consistentie. De ecologische rationaliteit betreft de verbinding tussen een strategie en een omgeving. De Azande gebruiken symboliek als strategie in een meer primitieve omgeving, waardoor er een andere redelijke overtuiging ontstaat dan bij de wetenschappers die theorie als strategie gebruiken. De goede epistemische redenen en het concept van vooruitgang worden op basis van die strategieën geconstrueerd. (Gigerenzer & Selten, 2001, pp. 46-48)

Er zijn echter geen goede absolute epistemische redenen om daarom Overtuiging Azande als minder rationeel te beschouwen dan de Overtuiging volgens consistente logicaregels (moderne wetenschap). Taylor gaf de vooruitgang en het succes van de wetenschap als absoluut goede epistemische reden aan om dit wel te doen, maar de ecologische rationaliteit leert ons dat succes bij elke cultuur op een andere manier kan worden opgevat. Omdat het voor ons moeilijk is om uit het ideaal van theoretisch begrip te stappen, is het arrogant om te stellen dat vooruitgang bij de Azande minder rationeel is. Het is aan elke gemeenschap om uit te maken welke epistemische goede redenen het meest rationeel zijn. Dat is op zich geen probleem voor het standpunt van de relativist zelf, zolang hij maar beseft dat hij redeneert uit een bepaalde context en zijn overtuiging dus niet voor iedereen noodzakelijk geldt. Als Boghossian denkt dat zijn ideale absolute epistemische redenen voor zijn overtuigingen bestaan, dan heeft hij daar al het recht toe. Maar hij zal net als de relativist moeten vaststellen dat ook zijn goede epistemische redenen een persoonlijke en culturele geschiedenis hebben en niet noodzakelijk zal leiden tot een absolute waarheid. Hoewel de relativist volgens Boghossian bang blijkt te zijn van absolute kennis, is Boghossian zelf nader gezien nog veel banger om zijn absolute kennis te verliezen. De meest bevredigde optie voor hem wordt een onvoorwaardelijk geloof in de absolute rede. De rede wordt als dogma genomen, net zoals symboliek als dogma wordt genomen bij Overtuiging Azande met elk hun eigen relatieve epistemische redenen. Een pragmatische oplossing die volgens mij perfect te rechtvaardigen is. (Barnes & Bloor, 1982)

 

 

 

4. Conclusie

Uit de gevonden resultaten kunnen we een aantal voorlopige conclusies trekken. De inspirerende Azande-stam leiden tot een debat over de notie rationaliteit. Het is werd duidelijk dat de taalkundige dimensie van rationaliteit die aangehaald werd door Kant en Bennett, niet voldoende was om de draagwijde van het begrip te begrijpen. De zoektocht naar een andere voorwaarde voor rationaliteit leidde me via een analyse van Charles Taylor naar een discussie over epistemische goede redenen, die mensen hebben voor hun overtuigingen. Hier ontstond een debat tussen de relativist en de absolutist, illustratief weergegeven door een vergelijking tussen Overtuiging volgens consistente logicaregels (moderne wetenschap) en Overtuiging Azande.

Ik gaf een introductie in het relativistische standpunt door zowel een sociaal als een psychologisch constructivisme uit te leggen. De sociale constructivisten Barnes & Bloor verdedigden het standpunt dat de goede epistemische redenen altijd bepaald worden door relatieve omgevingsfactoren. De auteurs van ‘begrensde rationaliteit’ verdedigden een psychologische vorm van dit relativisme. Volgens hen wordt elke overtuiging bepaald door een gelimiteerd tijd en ruimte kader waarin een persoon redeneert. Met een herdefiniëring van het begrip rationaliteit stellen ze dat de overtuigingen over epistemische goede redenen geconstrueerd worden aan de hand van heuristieken en strategieën die leiden tot de meest bevredigende opvatting. De manier waarop de structuren zijn ingebed in omgevingen noemen ze ‘ecologische rationaliteit’. In het tweede deel heb ik de absolutist Paul Boghossian geïntroduceerd. Hij gaat de discussie met de constructivisten aan door de symmetrieprincipes aan te vallen, die stellen dat de oorzaak voor elke overtuiging van dezelfde sociale of psychologische soort is.

Ik heb de drie hoofdargumenten die Boghossian geeft om zijn Objectivisme van Rationele verklaring te verdedigen geanalyseerd en proberen weerleggen. Het eerste argument betrof de discussie over bestaan van een absolute sfeer van goede epistemische redenen als gedachten en/of observaties. Argumenten op basis van het constructivisme leiden me naar het besluit dat het er enkel relatieve goede epistemische redenen bestaan voor overtuigingen. Het tweede argument van Boghossian stelde dat de constructivist geen onderscheid kan maken tussen een vooroordeel en een gegronde overtuiging. Dit heb ik weerlegd door te stellen dat dit wel degelijk kan, maar enkel binnen een context waar dezelfde standaarden worden aanvaard. Tenslotte heb ik het laatste argument, dat stelt dat de relativist zichzelf weerlegd, afgewezen door uit te leggen dat de relativist doelt op het blootleggen van verschillende praktijken die elk hun eigen overtuigingen hebben over vooruitgang en goede epistemische redenen.

Uit dit alles kunnen we concluderen dat de Azande niet noodzakelijk meer of minder rationeel dan wij. De superioriteit van de westerse wetenschappen blijkt een illusie te zijn. We moeten rekening houden met het feit dat iedereen in een sfeer van begrensde rationaliteit zit dat onze overtuigingen relatief maakt. We moeten misschien langs de ene kant het ideaal van absolute kennis opgeven, maar we krijgen er relatieve waardevolle kennis en erkenning van andere gemeenschappen voor in de plaats. Wat willen we nog meer?

6. Bibliografie

Barnes, B., & Bloor, D. (1982). Relativism, Rationalism and The Sociology Of Knowledge. In M. Hollis, & S. Lukes, Rationality and Relativism (pp. 21-47). Oxford: Basil Blackwell.

Bennett, J. (1964). Rationality: An Essay Towards an Analysis. London: Routledge & Kegan Paul Limited.

Boghossian, P. (2006). Fear Of Knowledge: Against Relativism and Constructivism. New York: Oxford University Press.

Doyle, J. (1998). Bounded Rationality. In R. W. Kiel, The MIT Encyclopedia of the Cognitive Sciences. (pp. 1-6). Cambridge: MIT Press.

Gigerenzer, G., & Selten, R. (2001). Bounded Rationality: The Adaptive Toolbox. Cambridge: The MIT Press.

Gigerenzer, G., & Selten, R. (2001). Rethinking Rationality. In G. Gigerenzer, & R. Selten, Bounded Rationality: The Adaptive Toolbox (pp. 1-13). Cambridge: The MIT press.

Hollis, M. (1982). The Social Destruction of Reality. In M. Hollis, & S. Lukes, Rationality and Relativism (pp. 67-86). Oxford: Basil Blackwell.

Kekes, J. (1987). Rationality And Problem-Solving. In J. Agassi, & I. Jarvie, Rationality: The Critical View (pp. 265-281). Dordrecht: Martinus Nijhoff Publishers.

Lambalgen, M. V. (2010). Experimenteren met rationaliteit. Algemeen Nederlands Tijdschrift voor Wijsbegeerte., 38-48.

Simon, H. (1982). Models Of Bounded Rationality: economic analysis and public policy, volume 1 and 2. Cambridge: MIT Press.

Taylor, C. (1982). Rationality. In M. Hollis, & S. Lukes, Rationality and Relativism (pp. 87-105). Oxford: Basil Blackwell.

 


[1] Bennett analyseert bijvoorbeeld het gedrag en de taal van bijen, die op een intelligente consistente manier met elkaar communiceren. (Bennett, 1964)

[2] Taylor zegt dat kennisverwerving in noodzaak een verbondenheid is tussen symboliek en theoretisch begrip. Je kan volgens hem geen theorie opbouwen zonder een symbolisch systeem.

[3] Dit argument wordt gesteund op het idee dat we in essentie als mens het fysisch universum proberen te verstaan door theorieën te construeren. De theorieën leiden tot praktische acties, die dan weer leiden tot meer technologische control, vooruitgang en rationele superioriteit. De manier waarop vooruitgang wordt geïnterpreteerd kan weliswaar leiden tot debat ( zie o.a. argument 3: zelfweerlegging). (Taylor, 1982)

[4] De auteur zegt zelf dat ‘One can make a semi-plausible case for a symmetry principle about truth, but that would do nothing to further strong constructivism, since one way to explain both true and false beliefs through the same kind of cause is to explain each of them evidentially (Boghossian, 2006, p. 114).

[5] Absolute epistemische redenen zijn de redenen die verklaren waarom iemand een overtuiging heeft en die puur construeerd zijn uit de blootstelling aan feitelijke bewijzen.

[6] Dit voorbeeld wordt geplaatst in het hevige debat tussen aanhangers en tegenstanders van de flogistontheorie, een wetenschappelijke hypothese in de 17de eeuw.

[7] Klassiek gezien betekent niet-monotone logica dat toevoeging van nieuwe kennis ervoor kan zorgen dat eerder getrokken conclusies niet meer geldig worden. Je vat het hier best op als logische stelregels die relatief zijn aan tijd en ruimtekader waarin de persoon denkt (Doyle, 1998).

[8] Deze discussie betreft ook een verschil in interesses bij culturen. Dit komt terug bij 3.2.3.

Advertenties
Dit bericht werd geplaatst in Other. Bookmark de permalink .

5 reacties op Other (5): Geloven in dé epistemische redenen: een illusie?

  1. Eric R. zegt:

    Wat ik hierover nogal spontaan denk? Dat de Azande geen technologische vooruitgang hebben ontwikkeld, is onjuist. Dat hebben ze binnen hun zeden en gewoonten wel gedaan. Ze waren gewoon nooit in de historische omstandigheden om dezelfde technologische hoogten te bereiken als “wij”. De vraag is of technologische vernieuwing, zowel deze van de Azande als deze van “ons”, voortvloeit uit voorafgaande en onderliggende epistemen. In hoeverre zijn deze epistemen niet na technisch succes geformuleerd? (Ene sluit andere natuurlijk niet, en het ene zal steeds het andere versterken). Of: in hoeverre zal, bij een ‘kritische’ drempel, een verdere technische vooruitgang belemmerd worden door een bepaalde manier van ‘rationeel inzicht’? Marx zou zeggen dat de ontwikkeling van de productiekrachten noopten tot aanpassing van de productieverhoudingen, i.e. de communicatie, taal, tussen de samenwerkende mensen (in arbeidsdeling weliswaar). En taalstructuur en rationaliteit hangen dan weer samen.

    zie van mijnentwege ook: wacht, moet naar andere gebruiker op mijn pc

    • Eric R. zegt:

      Functionerende psychopaten,
      kapitalisten en gewone mensen.
      Over neuro-economie, rationaliteit en gelukkig zijn.

      Eric Rosseel, dr. arbeidspsychologie

      Intro: investeren als een vorm van psychopathie

      De krant grondig lezen levert soms verrassende berichten op. In een tijd waarin alles je aandacht vraagt maar je onmogelijk alles zijn verdiende aandacht kunt geven, vind je soms in de krant de bevestiging van wat je reeds vermoedde, stoot je op nieuwe wetenschappelijke bevindingen op terreinen waar je niet over de nodige bagage beschikt om de vakliteratuur zelf uit te spinnen. In de Times van 19 september (overgenomen in De Morgen van 20 september) stond onder de titel ‘Wanted: psychopaths to play the stock market’ een bijdrage van Martin Waller over een experimenteel onderzoek van een groep neurologen van drie Amerikaanse universiteiten naar het investeringsgedrag van ‘gewone’ mensen en mensen met hersenletsels waardoor die hun emotionele reacties grotendeels zijn uitgevallen[. Hieruit blijkt dat de mensen met hersenletsels ‘betere’ financiële beslissingen nemen dan gewone mensen met ‘normale’ hersenen. Het onderzoeksteam bestudeerde 41 testpersonen met een vergelijkbaar normaal IQ: van die 41 leden er 15 aan een letsel in de hersendelen die emotionele reacties regelen. De testpersonen namen deel aan een eenvoudig investeringsspel, bestaande uit 20 gokrondes. Bij de aanvang kregen de deelnemers 20 dollar en bij elke ronde dienden ze te beslissen of ze 1 dollar wilden inzetten bij het opgooien van een muntstuk. Was hun voorspelling verkeerd, dan verloren ze de 1 dollar, maar zaten ze goed, dan wonnen ze 2.50 dollar. ‘Logischerwijze” zou je dus bij elke ronde investeren. Maar naarmate de rondes vorderden, werden de ‘normale’ testpersonen voorzichtiger en waren ze er meer op gesteld de reeds behaalde winst niet in gevaar te brengen. De hersenpatiënten deden dit niet en bleven investeren: zij eindigden het spel met gemiddeld 25.70 dollar, bijna 3 dollar meer dan de ‘normale’ testpersonen, een significant verschil. De onderzoekers besluiten dat emotioneel gehandicapten gemakkelijker risico’s zullen nemen om een hogere winst te behalen. De vrees behaalde winsten weer te verliezen weerhield de ‘normale’ testpersonen ervan om nog verdere risico’s te nemen.
      Conclusie van het onderzoek: succesvolle investeerders kunnen aangeduid worden als ‘functionerende psychopaten’. Zij laten zich nauwelijks door hun emoties leiden of beleven ze minder intens. Emoties kunnen investeerders ertoe brengen het ‘spel’ té veilig te spelen. Zo verklaren de onderzoekers waarom in tijden van beursbaisse heel wat investeerders gaan beleggen in obligaties eerder dan in aandelen. Obligaties brengen op korte termijn meer op, maar hun rendement op lange termijn is lager dan dat van aandelen. Door hun emoties (vrees voor verlies, negatieve verwachtingen) te volgen durven beleggers dan minder risico te nemen zelfs als de mogelijke baten de kans op verlies sterk overstijgen. Dit fenomeen staat gekend als ‘kortzichtige verliesafkeer’, myopic loss aversion. De onderzoekers haasten zich om te benadrukken dat de studie niet wil insinueren dat het hebben van hersenletsels een goede zaak zou zijn. In het algemeen blijken mensen met hersenletsels ‘slechtere’ beslissingen te nemen dan mensen met een intact brein. In hun eigen onderzoek was risiconemend gedrag het meest voordelig: de testpersonen met de minste angst (de mensen met letsels) neigden er dus toe optimaler te presteren. Uit ander onderzoek blijkt dat wanneer risiconemend gedrag minder voordelen biedt, mensen met intacte hersenen beter presteren: de mensen met letsels worden door hun emoties niet tegengehouden om teveel risico te nemen. De onderzoekers onderstrepen ook dat emoties een normaal en essentieel onderdeel zijn van het menselijk gedrag. Toch raden de onderzoekers beleggingsmaatschappijen aan om het persoonlijkheidsprofiel van hun beleggingsadviseurs in de gaten te houden, met andere woorden ze te selecteren op basis van ‘functionele psychopathie’.
      Twee vragen komen bij me op bij het lezen van dit onderzoek:
      1° waarom is meer winst een ‘beter’, ‘optimaler’ en ‘rationeler’ gedrag dan voorzichtig zijn en minder winnen?
      2° wat is dat toch altijd met die gevoelens en emoties die blijkbaar van alles in de war sturen?

      Neuroeconomics: what’s new pussycat?

      Neuroeconomics, of neuro-economie, is een relatief jonge subwetenschap die neuroscience, economie en psychologie met elkaar combineert in de studie van keuzes, beslissings- en besluitvormingsprocessen. Neuro-economie focust op de rol van de hersenen bij het nemen van beslissingen, het evalueren van risico’s en beloningen, het kiezen bij dilemma’s en dergelijke. Doorgaans gaat het om financieel-economische beslissingen, maar in een bredere context kunnen de bestudeerde problemen ook van morele, sociale of juridische aard zijn, bvb. het oordeel over schuld of onschuld door een jury in een rechtszaak. Vandaar dat sommigen spreken over neuronomics. Neuro-economie baseert zich niet op logisch-wiskundige modellen zoals waarschijnlijkheidsmodellen maar op neurobiologische modellen. Deze zijn van tweeërlei aard: 1° biochemische modellen en 2° modellen die betrekking hebben op de specifieke werking van diverse hersenonderdelen en hun interactie. Het onderzoek volgens deze twee modellen is verschillend van aard en de resultaten zijn ook niet altijd gelijklopend. Modellen die betrekking hebben op grootschalige processen (met name de hersenen in hun geheel) lijken veelbelovender dan de modellen die zich concentreren op elektrochemische veranderingen in de hersencellen[.
      Biochemische modellen betreffen in het bijzonder de invloed van neurotransmitters op beslissings- en keuzeprocessen. Bepaalde modellen gaan er bvb. van uit dat hogere serotonine-niveaus tot minder impulsieve keuzes zullen leiden omwille van de lagere activeringsgraad van diverse regio’s in de hersencortex. De onderzoeksexperimenten zijn van dezelfde aard als in het hierboven besproken onderzoek: aan proefpersonen wordt gevraagd spelletjes te spelen die betrekking hebben op het nemen van (financiële) beslissingen. Via beproefde methodes van bloed- en urineonderzoek wordt dan het niveau van een reeks neurotransmitters opgevolgd. Uit de extrapolaties naar de realiteit van de zakenwereld zou dan moeten blijken dat zowel een positieve (bullish) als een negatieve beursstemming (bearish) onder de beleggers in gang zou worden gezet door welbepaalde neurotransmitters. Vooral serotonine (de anti-depressie neurotransmitter) en dopamine (die een rol speelt in neurocognitieve functies zoals aandacht en geheugen alsook in de beleving van zowel plezier als verlangen) blijken doorslaggevend. Minder serotonine betekent meer angst en onrust. Meer dopamine maakt dat je de zaken positiever en rooskleuriger bekijkt en dat je gretiger voor de dag komt. Als beursbeleggers dalende koersen verwachten, dan zou hun serotonine-peil verlagen; als ze anticiperen op stijgende koersen, wordt meer dopamine aangemaakt. Het effect van de daling aan serotonine zou echter dubbel zo groot zijn als het effect van toegenomen dopamine. Zo kan verklaard worden hoe bij beleggers de vrees voor verlies op korte termijn meer effect sorteert dan de verwachting dat het op lange termijn toch wel weer goed komt. Kortom, de impact van emoties zoals vrees voor verlies zou sterker zijn dan de neiging om op basis van de beschikbare informatie ‘rationeel’ te reageren. We zien hier terug de polarisatie van emotie en ratio opduiken. Serotonine en dopamine zouden het beslissingsproces ook overnemen wanneer mensen een groot aantal opties onder ogen willen nemen. Ontelbare oplossingen dienen zich dan aan en de hersenneuronen begeven zich in miljoenen onderlinge verbindingen. Het brein kan op de duur niet alles meer op een rijtje zetten, zeker niet als zich veel tegenstrijdige signalen tegelijk aanbieden zoals soms het geval is bij het overwegen van beurstransacties. In dergelijke gevallen zouden serotonine en dopamine de zaak overnemen en onderling uitmaken of er op korte termijn (‘emoties’) of op lange termijn (‘ratio’) wordt gespeeld. Op basis van deze neuro-economische inzichten is het mogelijk profielen op te stellen voor efficiënte vermogensbeheerders en beleggingsadviseurs.
      Biochemische modellen stellen of suggereren op zijn minst dat neurobiologische gegevens als oorzaak fungeren van ons gedrag en handelen (de psychologische gegevens). De biochemische beschrijving in termen van neurotransmitters is echter alleen maar een beschrijving op een ander niveau van de wijze waarop we psychologisch spreken over gemoedstoestanden, stemmingen en emoties. In feite betekent de bewering dat serotonine en dopamine ons keuzegedrag overnemen in geval van een teveel aan alternatieve keuzemogelijkheden, dan we bij een keuze uit vergelijkbare alternatieven ons zullen laten leiden door onze stemming en emoties zodat we bvb. of meer voorzichtig of meer risicovol zullen optreden. We kunnen natuurlijk de serotonine- en dopamine-peilen artificieel opdrijven of verlagen door het nemen van bepaalde geneesmiddelen. Zo onderdrukken antipsychotica de dopamineproductie met als gevolg een lusteloze stemming, een mindere ontvankelijkheid voor plezierprikkels en een algemeen afgevlakt gevoelsleven. Maar ook hier blijft het zo dat het neurobiologische en het psychologische twee verschillende registers zijn die eenzelfde proces volgens een verschillend discours beschrijven.
      Het tweede type modellen, de modellen die betrekking hebben op de interactie tussen grotere neuronale mechanismen en meer bepaald verschillende hersenregio’s, leunt aan bij bevindingen uit de cognitieve neuroscience waaruit blijkt dat de aanpak van verschillende soorten problemen of de aanwending van verschillende methoden bij probleemoplossing in verschillende delen van het brein zijn gelokaliseerd. De dorsolaterale prefrontale cortex bvb. lijkt informatie en gegevens op een andere manier te verwerken dan de insula cortex. Anderzijds lijken verschillende hersenregio’s verschillende taken aan te pakken. Patiënten met een beschadiging van de ventromediale prefrontale cortex reageren niet meer emotioneel op prikkels, terwijl patiënten met een beschadiging van de dorsolaterale prefrontale cortex problemen blijken te hebben met de cognitieve verwerking van taken die weinig of geen emotionele impact hebben, zoals rekenkundige bewerkingen. In het algemeen lijkt het zo dat optimale probleemoplossing bevorderd wordt door een synergie tussen cognitieve (‘logische’ of ‘rationele’) verwerking en affectieve (‘emotionele’) verwerking. Dikwijls geraken beide mechanismen toch in een conflict, zonder dat één van beide superioriteit kan doen gelden. Uit onderzoek blijkt dan dat vooral de voorste cingulate winding (anterior cingulate cortex – ACC) conflicten tussen hersendelen zou detecteren en conflictbeheersend en –oplossend zou optreden.
      Een illustratie vinden we in een neuro-economisch onderzoek op basis van het zogenaamde ultimatum game[3]. In het ultimatumspel krijgen twee spelers de mogelijkheid om een bepaalde som bvb. 10 euro te verdelen. De eerste speler moet een aanbod doen (bvb. 8 euro voor hemzelf en 2 euro voor de ander) en de tweede speler kan het aanbod aanvaarden of verwerpen. Als het aanbod aanvaard wordt, mogen de spelers de verdeelde som houden; wordt het aanbod verworpen, dan krijgen beiden niets. De regels van de speltheorie voorzien een ongelijke verdeling ten voordele van de eerste biedende speler. Inderdaad, als de eerste speler een verdeling van 8 tegen 2 voorstelt, zou de tweede speler dit moeten aanvaarden want 2 euro is beter dan niets. Uit alle onderzoeken met het ultimatumspel blijken de eerste spelers echter in meerderheid een gelijk verdeling aan te bieden. De vrees dat de tegenspeler het aanbod zal verwerpen, brengt de eerste speler er blijkbaar toe in de meeste gevallen een gelijk of fair aanbod te doen. In de onderzoek naar de hersenactiviteiten bij de beslissing van de tweede spelers werd vastgesteld[4] dat wanneer deze een onfair aanbod weigerden, verhoogde activiteit optrad in de insula cortex. De spelers die het aanbod echter aanvaardden, vertoonden een grotere activering van de dorsolaterale prefrontale cortex. De voorste cingulate winding (ACC) was ook bijzonder actief. Verschillende hersendelen regelen dus blijkbaar verschillende soorten denkprocessen. In zekere mate lijkt dan de ACC te bemiddelen tussen deze verschillende hersenregio’s.
      Dergelijk onderzoek wordt interessanter wanneer het gaat om zogenaamde morele dilemma’s waarbij de graad van persoonlijke en sociaal-emotionele betrokkenheid kan variëren. Een typisch voorbeeld waarbij fMRI-technologie (functional Magnetic Resonance Imaging, gebaseerd op de verhoging van de bloedtoevoer naar specifieke hersendelen) gebruikt wordt voor de beeldvorming van de hersenactiviteiten van de testpersonen, speurt naar de verschillen tussen ‘persoonlijke’ en ‘onpersoonlijke’ besluitvorming bij het oplossen van een moreel dilemma[. De testpersonen krijgen te horen dat een trein op een spoor aankomt en, wanneer ze niets doen, een wagen zal raken met vijf doden als gevolg. Als ze echter op een knop drukken, wordt de trein afgeleid naar een zijspoor en wordt maar één persoon gedood. Uiteraard verkiezen bijna alle testpersonen op de knop te drukken om de trein af te leiden. Maar de zaak wordt boeiender wanneer het scenario ietwat gewijzigd wordt. Nu wordt de testpersonen het alternatief aangeboden een man van een brug af te duwen zodat hij vóór de aankomende trein valt, gedood wordt maar de trein tot stilstand brengt. Dus weer een keuze tussen vijf doden of één dode. Nu geven de meeste testpersonen aan dat ze de man niet van de brug zouden duwen. Uit de studie blijkt dat de hersendelen die actief zijn bij de beslissing om al of niet de man te pushen dezelfde zijn als deze die geactiveerd worden bij vrees, angst, verdriet en leed. De niet-morele of onpersoonlijke dilemma’s (op de knop drukken) activeren delen van de dorsolaterale prefrontale cortex en de parietale cortex (normaal actief bij rekenwerk en uitvoerende functies). Men zou kunnen stellen dat bij de testpersonen die de man zouden duwen, ‘logische’ processen overheersen op ‘emotie’. Opvallend is ook dat de testpersonen die de man zouden duwen, er langer over deden om tot een beslissing te komen dan de testpersonen die de man niet zouden duwen. In het algemeen is de beslissingstijd voor morele dilemma’s hoger dan voor niet-morele dilemma’s of ‘onpersoonlijke’ dilemma’s. De hersenactivering en de beslissingstijd voor niet-morele en onpersoonlijke morele dilemma’s is ongeveer gelijk. Recent onderzoek bevestigt ook dat de hersendelen actief bij de oplossing van morele problemen dezelfde zijn als deze die aangewend worden bij sociale cognitie (zoals bvb. bij causale attributie of het zoeken van verklaringen voor het eigen gedrag en dat van anderen, bij persoonsperceptie of bij stereotypering).
      De meeste onderzoekers besluiten uit dergelijke bevindingen dat de ‘rationaliteit’ van een beslissing toeneemt naarmate de beslissing ontdaan is van ‘personaliserende’ elementen. Hoe ‘onpersoonlijker’ de beslissing, hoe meer we ‘sociaal optimale’ beslissingsmechanismen kunnen aanwenden. Deze onderzoeksresultaten zijn toepasselijk op heel wat maatschappelijke situaties en op heel wat beslissingen die genomen worden door zowel gewone mensen als door bestuursorganen. Een voorbeeld is de discussie over het al of niet afschaffen van de volksjury in de assissenrechtspraak. Juristen[6] zullen pleiten voor een depersonalisatie van het beslissingsprobleem zodat een ‘sociaal optimale’ beslissing wordt genomen. Immers als juryleden het probleemonderwerp niet aan hun hart laten komen, zullen ze ‘betere’ vonnissen vellen. Natuurlijk weten we nog te weinig over de precieze aard van de situaties waarin personalisering zich voordoet en over de details waarin beslissingsprocessen in verpersoonlijkte en niet-verpersoonlijkte problemen verschillen. De ‘kwaliteit’ van volksjury’s ligt nu echter juist in het gegeven dat de juryleden zich inleven in de psychologie van de dader (en van het slachtoffer of de slachtoffers) om tot een verdict te komen. De kans op personalisering is hier dus zeer groot en in zekere zin door het systeem zo bedoeld. De volksjury moet niet oordelen of de dader de wet overtreden heeft, maar of hij ‘schuld’ heeft aan het overtreden van de wet. Zo worden moordenaars door volksjury’s regelmatig vrijgesproken. Schuld is hierbij geen juridisch, maar een moreel-psychologisch begrip. Om die schuld in te schatten, moeten de juryleden precies beroep doen op hun sociaal-emotioneel inlevingsvermogen en niet op hun rekenvermogen of andere puur cognitieve vaardigheden. Een vervanging van de volksjury door een college van beroepsrechters zal vermoedelijk voor gevolg hebben dat het schuldbegrip verschuift naar de juridische kant en dat de beroepsrechters in eerste instantie zullen oordelen over de mate waarin de wet is overtreden en of er verzachtende of verzwarende omstandigheden kunnen ingeroepen worden. Maar ‘verzachtende omstandigheden’ is iets heel anders dan de ‘onschuld’ die de volksjury probleemloos kan uitspreken zelfs in geval van een gruwelijke moord zoals bvb. de moord op zijn of haar eigen kind. Op basis van het neuro-economisch onderzoek worden nu ‘nieuwe’ argumenten aangebracht om dergelijke onvoorspelbare beslissingen te vermijden en bijvoorbeeld legale beslissingssystemen op te zetten waarbij persoonlijke en emotionele betrokkenheid wordt geweerd.
      Het neuro-economisch onderzoek heeft echter weinig toegevoegd aan de resultaten die vroeger reeds werden bekomen bij onderzoek naar beslissingsprocessen zonder meting van de hersenactiviteit. We wisten reeds dat keuzes in morele dilemma’s zwaar door ‘emotionele’ componenten werden beïnvloed en dat mensen (consumenten, jury’s, beleggers, politici, enzovoort) in veel gevallen ‘irrationele’ beslissingen nemen die ingaan tegen de ‘logica’ van de ‘rationaliteit’ die ernaar streeft om met inzet van een minimum aan middelen (inputs) maximale resultaten te halen of een doel optimaal te bereiken (outputs). Waarom handelen mensen zo ‘irrationeel’ en zijn ze wel degelijk effectief ‘irrationeel’?

      Rationaliteit: niet het middel, maar het doel

      Rationaliteit wordt doorgaans omschreven in termen van de meest optimale middelen om een gegeven doel te bereiken. ‘Economisch’ gesproken (en ik bedoel hier inspanningseconomie) komt dit neer op het inzetten van een minimum aan input voor het bekomen van een maximale output. Rationaliteit wordt in wetenschappelijke kringen dan steevast geoperationaliseerd in rekenkundige en kwantitatieve termen, op een logisch-wiskundige basis: 10 euro winnen in plaats van 5 euro; vijf doden in plaats van één, zoals in het treinexperiment. Dit is uiteraard de kapitalistische logica van de winstmaximalisatie, van een logica waar alles met alles vergeleken kan worden, in het bijzonder via het veralgemeend ruilmiddel dat geld is. Dit geldt met name voor beleggers en investeerders die bij hun beslissingen wel soms enorm veel informatie tegelijk moeten verwerken, maar al deze informatie is van hetzelfde kwantitatieve niveau. Beslissingen hier vragen inderdaad weinig meer dan rekenen en cijferen en dus normaliter ook alleen de activering van die specifieke hersendelen die zich inlaten met reken- en cijferwerk. Wat niet aan deze rationaliteitsopvatting beantwoordt, wordt bijna automatisch als ‘irrationeel’ of niet ‘sociaal optimaal’ gekenschetst (zoals in het treinexperiment waar het niet-duwen van een man als de niet sociaal optimale oplossing wordt voorgesteld). Het doel, één dode in plaats van vijf, blijft in de ogen van de onderzoekers het doel van alle testpersonen. De ‘irrationaliteit’ slaat dus op de aangewende middelen: personalisering en emoties beletten de persoon tot een ‘optimale’ beslissing te komen en tot het gebruik van een ‘verkeerd’ middel om een doel te bereiken. Beleggers die zich emotioneel te zeer laten meeslepen door bijzondere gebeurtenissen die de aandelenmarkten kunnen beïnvloeden, zullen ‘verkeerde’ beslissingen nemen.
      Maar voor de testpersonen in het treinexperiment gaat de keuze niet meer tussen één of vijf doden, maar tussen één door mezelf vermoorde persoon en vijf doden als gevolg van een ongeval. Dit is geen rekenkundig probleem meer. De meeste testpersonen hebben nu niet langer één doel maar twee doelen: zoveel mogelijk levens redden én hun morele integriteit behouden. Testpersonen die zonder pardon de man van de brug afduwen, blijven blijkbaar bij het éne doel: voor hen blijft het dilemma dan ook een rekenkundig probleem en de hersendelen die geactiveerd worden, zijn deze die normaliter actief zijn bij een louter uitvoerende taak. De testpersonen die hun morele integriteit willen vrijwaren, zijn echter even ‘rationeel’ in functie van het doel dat hen voor ogen staat: zij gooien de man niet van de brug, zij willen geen moord op hun geweten hebben. Maar daar zij in de context van het experiment worstelen tussen twee doelen (levens redden; bewaren integriteit), gaan andere hersendelen die zich zogezegd met sociaal-emotionele processen inlaten, actief worden. Kortom, om uit te maken of een gedrag rationeel is moeten we niet zozeer kijken naar de middelen om een doel te bereiken, maar in de eerste plaats ons de vraag stellen: wat is het doel dat de persoon voor ogen heeft? Niet alleen kwantitatieve ‘winstmaximalisatie’ (10 euro i.p.v. 5; één dode i.p.v. vijf) maar ook sociaal-emotionele toestanden kunnen als doel fungeren: gelukkig zijn, met rust gelaten worden, vrij zijn van schuldgevoelens, enzovoort. Emoties zijn geen storende factoren, maar zelf een middel om levensdoelen te bereiken en gevoelens zijn dikwijls doelen op zichzelf. De starheid waarmee neuro-economie aan emoties en gevoelens een doelgerichtheid ontzegt, moet dringend worden bijgestuurd. Het nastreven van bepaalde gemoedstoestanden is even belangrijk in een mensenleven als outputmaximalisatie in al zijn vormen, en voor veel mensen of op veel momenten zelfs belangrijker. Wat ‘rationeel’ is wordt dan zeer onduidelijk en wat ‘sociaal optimaal’ is een kwestie van mens- en maatschappijvisie. De voornamelijk in economische tijdschriften publicerende psychologen Amos Tversky en Daniel Kahneman, die in 2002 de Nobelprijs Economie kreeg (Tversky stierf in 1996), hebben wel algemeen aanvaard gekregen waarom mensen in hun keuzes en hun handelen afwijken van de logische en wiskundige modellen van rationele besluitvorming, maar hun prospect theory richt zich toch grotendeels op het nemen van beslissingen onder risico. Daarbij wordt mijns inziens teveel verondersteld dat risico alleen optreedt bij economische of economisch lijkende problemen, problemen die dus in principe ‘rationeel’ kunnen worden aangepakt. Risico blijkt voor veel besliskundigen iets te zijn dat alleen voorkomt als het gaat over geld verdienen, beleggen of investeren. Het vermijden van risico’s kan m.i. zelf ook als rationeel worden beschouwd maar het wordt steevast niet met verstandelijke doelgerichtheid maar wel met ‘emotie’ (vrees met name) geassocieerd. Risico treedt echter niet alleen op bij economische of bestuurlijke problemen. Ook bij de wijze waarop het streven naar een bepaalde aangename gemoedstoestand waar wordt gemaakt, worden risico’s genomen. Wanneer ik voor de goede vrede tegen iemand lieg, dan loop ik het risico ontmaskerd te worden. Wanneer ik me overwerkt voel en overweeg een week ziekteverlof te nemen om terug op effen te komen, dan loop ik misschien het risico ontslagen te worden. Dit risico vermijden kan dus soms een verstandige beslissing zijn. De meeste van onze handelingen in de interpersoonlijke en maatschappelijke sfeer dragen een risico-dimensie. En we zien daarbij dat ‘risico’ ook cognitief iets ingewikkelder is dan in de meeste beslissingsexperimenten wordt ingebouwd. Dikwijls zeggen we ‘misschien loop ik het risico dat …’. Daarbij zijn dus twee vragen aan de orde: 1° loop ik wel een risico (‘misschien’) en 2° welk risico loop ik? Twee vragen die kunnen uitmonden in gepieker in plaats van een beslissing.
      Welk doel wil een persoon bijvoorbeeld bereiken bij het oplossen van volgende testvraag?
      U hebt de keus tussen:
      (1) een kans van 80 procent dat u 4000 euro kwijtraakt of
      (2) de zekerheid dat u 3000 euro kwijtraakt
      Deze vraag komt voor in een reeks onderzoeken van de Zwitserse economiste Renate Schubert en haar medewerkers[7]. De vraagstelling is gebaseerd op keuze- en beslissingsexperimenten van Daniel Kahneman en Amos Tversky[8] en in veel landen herhaald, in Nederland met name door Henriëtte Prast in Tilburg. Omzeggens 90% van de ondervraagde personen blijkt voor keuzemogelijkheid (1) te kiezen. Wiskundig gezien is dit niet de meest ‘rationele’ keuze. (1) betekent namelijk zowel een hoger verlies (3200 versus 3000) als meer ‘risico’. Hoe moeten we deze ‘irrationaliteit’ verklaren? Over het algemeen wordt gesproken in termen van ‘risico-aversie’, een afkeer voor het nemen van risico’s. Maar welk risico is hier verbonden met het kiezen van het ‘correcte’ alternatief (2)? De bevragers gaan er blijkbaar van uit dat een minimum aan geld verliezen het ‘doel’ is, maar verstaat de testpersoon dat wel zo? Laten we eens kijken hoe ik mezelf voel bij het beantwoorden van deze keuzevraag. Eerst en vooral spreekt het vraagstuk me helemaal niet aan, het probleem boeit me geenszins en ik voel me dan ook niet gemotiveerd om er veel energie in te stoppen. Ik vermoed dan ook dat de betrokkenheid van heel wat mensen bij het oplossen van zo’n vraagstukken vrij laag zal zijn, zelfs al worden ze als testpersoon betaald om aan het onderzoek mee te werken. Verder ervaar ik dat ik wel wil inschatten hoeveel 80% van 4000 is, dat de uitkomst wel ongeveer in de buurt van 3000 zal liggen, maar ik heb geen zin om met het nodige hoofdwerk uit te rekenen hoeveel 80X4000/100 precies is, ik heb andere dingen aan mijn hoofd. Maar ik moet antwoorden en eigenlijk gooi ik er mijn pet naar in het besef dat het verschil tussen de twee keuzes vrij minimaal is: ik kies (2) want dit is voor mij het meest duidelijk geformuleerd. Wat was mijn doel bij het oplossen van het vraagstuk? Eigenlijk geen: hoogstens tegemoetkomen aan de vraag van de onderzoeker om zijn vragenlijst in te vullen en als de vragenlijst twintig of vijftig van dergelijke vraagstukken bevat, er zo rap mogelijk van af zijn. Met risico’s nemen of zoveel mogelijk geld verdienen heeft dit allemaal weinig te maken. Ik durf beweren dat een meerderheid van testpersonen, als deze ad random gekozen zijn uit de bevolking, soortgelijke psychische processen zullen vertonen. Misschien willen sommige personen vooral geen mal figuur slaan. Anderen kiezen misschien uit ‘luiheid’ voor alternatief (1) omdat het op de eerste plaats komt. Misschien krijg je een ander onderzoeksresultaat als de alternatieven van plaats worden gewisseld.
      Onderzoekers gaan er veel te veel van uit dat het psychisch proces en de probleemsituatie die ze in een experiment menen te stoppen (al of niet vermijden van risico bvb.), ook werkelijk overeenkomt met het psychisch proces dat zich bij de testpersonen zal voordoen en met de wijze waarop deze de situatie ervaart. Onderzoekers zullen bij het interviewen van de testpersonen achteraf alleen aandacht hebben voor die bemerkingen die betrekking hebben op het beslissingsproces zoals ze het zelf hebben gedefinieerd, en andere opmerkingen (bvb. ‘ik moest toch iets antwoorden’) totaal veronachtzamen. Ik herinner mij uit mijn lessen psychologie aan de universiteit dat de psychologie uiteenvalt in wel duizend psychologieën, maar dat we zeer weinig weten over de psychologie van de proefpersoon in een psychologisch experiment. Dit is er ondertussen, 35 jaar later, nog niet zoveel op verbeterd.

      Gevoel en verstand: de tweeling gescheiden

      Onze gedragingen worden wel eens opgedeeld in emotioneel versus cognitief. Cognitief gedrag betreft de nuchtere ‘koele’ verwerking van informatie en het formuleren van een keuze of een oplossing binnen een bepaalde taak of opdracht. Emotioneel gedrag zou gekenmerkt worden door onrust: hetzij opwinding, hetzij angst. Onze gevoelens zijn evenwel veel meer geschakeerd dan de emoties waarmee psychologen doorgaans werken. Die beperken zich dikwijls tot de polariteit tussen ‘plezier’ (geluk, welzijn, opwinding) en ‘pijn’ (angst, verdriet, depressie). Daniel Kahneman’s [hedonistische psychologie van geluk en welzijn bvb. gaat expliciet uit van deze tweedeling tussen plezier en pijn, tussen aangename en onaangename ervaringen. Het gamma gevoelens, m.a.w. de ervaringen die we kunnen hebben van onze eigen lichamelijke toestand, is echter zeer ruim. Naast opwinding en angst hebben we bijvoorbeeld vreugde, euforie, blijheid, het gevoel in ‘vorm’ te zijn, het gevoel alles aan te kunnen, trots, enthousiasme, aangetrokken zijn door een ander persoon, verliefdheid, ontroering, opluchting, ontspannen zijn, onverschilligheid, ontgoocheling, verdriet, frustratie, schuldgevoelens, onzekerheid, huiver, woede, walging, haat, en ga zo maar verder. Dit gamma aan gevoelens is niet zomaar onder de noemer van plezier en pijn te vatten. Verdriet zoals dit zich uit in huilen lucht dikwijls op. Angst is dikwijls vermengd met hoop. In het algemeen ervaren we dikwijls verschillende gevoelens tegelijkertijd en gevoelens kunnen snel wisselen wanneer we op onszelf inpraten of onszelf de put in duwen. Alle gevoelens hebben wel betrekking op een beleving van ons lichamelijk functioneren (de hersens inbegrepen). Het bereiken of elimineren van heel wat van deze gevoelens vormt een rechtstreeks doel van ons handelen en tegelijk zijn zij motor van heel wat van ons doen én van ons laten.
      Bijna al onze handelingen hebben én met gevoelens én met verstandelijke overwegingen te maken. We voelen altijd iets en tegelijkertijd verwerken we steeds één of andere informatie die hetzij van buiten ons komt hetzij van binnen. Onze hersenen werken altijd en alle delen van onze hersenen zijn steeds in een bepaalde mate actief. De neuro-economische metingen betreffen steeds een toename van de neuronale activiteit in een bepaalde regio, niet het actief zijn als dusdanig. Ook bij louter uitvoerende taken zoals rekensommetjes maken, zijn de regio’s die emoties reguleren actief maar er kan wel geen toename vastgesteld worden. In heel wat gevallen is het onduidelijk of onze hersenen nu bezig zijn met cognitieve informatieverwerking of met sociaal-emotionele reacties. Onzekerheid bvb. is een cognitie (‘morgen krijgt mijn dochter haar studieuitslag, ze heeft een paar slechte examens gehad, we weten dus niet hoe het zal aflopen’) en tegelijk een emotionele reactie (anticipatie van blijheid of ontgoocheling, of besluiten rustig af te wachten versus bezorgd piekeren). Het vermijden van risico’s kan ingegeven zijn door vrees (‘emotie’) maar vormt tegelijk onderdeel van een verstandige afweging dat wat minder ‘winst’ best tot tevredenheid kan stemmen. Kahneman heeft zeker gelijk als hij onderzoeksmatig vaststelt dat meer geld niet meer geluk en welzijn betekent, maar dat geld niet gelukkig maakt weet de volkswijsheid zo ook zonder ingewikkelde experimenten op te zetten. Gevoel en verstand, emotie en ratio kunnen dus niet zomaar gescheiden worden. Ook emoties volgen een bepaalde rationaliteit.
      De economische rationaliteit gericht op het maximaliseren van bepaalde kwantiteiten (geld, goederen, etc.) was bij het begin van de kapitalistische triomftocht een onderdeel van de persoonlijkheid van bepaalde mensen, de sober levende kapitalisten à la Henry Ford. Ondertussen is economisch rationeel denken en handelen een functie geworden, een job: beleggers kunnen in die job risico’s nemen om de kans op winstmaximalisatie te verhogen en toch in hun privé-leven vluchten voor het nemen van risico’s. Die fragmentatie van de hedendaagse persoonlijkheid maakt het vrij moeilijk om tegenwoordig te voorspellen hoe bvb. de bevolking op incentives van de overheid zal reageren. We kunnen dit bijvoorbeeld toepassen op de discussie rond de eindeloopbaanproblematiek. De regering Verhofstadt poogt in zijn aanpak van die kwestie de werknemers met financiële stimuli ertoe aan te zetten hun pensioen uit te stellen en langer te werken. In principe moeten we echter stellen dat de modale werknemer er niet zozeer op uit is steeds meer te verdienen dan wel een billijk loon te krijgen, een loon dat in verhouding staat tot de geleverde inspanningen. De modale werknemer is niet voortdurend op zoek naar jobs waar hij of zij iets meer zou kunnen verdienen. We kunnen dan ook stellen dat voor veel oudere werknemers het pensioen een billijke beloning is voor het feit dat ze dertig à veertig jaar het beste van zichzelf hebben gegeven. Bovendien hebben oudere werknemers weinig reden om de ruil tussen meer verdienen (of een ietwat hoger pensioen) en langer werken te aanvaarden: zij moeten geen huis meer afbetalen, hun kinderen zijn afgestudeerd en ondertussen gesettled. En vooral heeft de nieuwe moderne en postmoderne cultuur bij hen verlangens opgewekt om eindelijk ook van het leven te genieten, zelf hun dag in te vullen, wat te ‘consumeren’, enz. Mogelijk zal de economie met de loopbaanverlening wat ze wint aan de productiezijde verliezen aan de consumptiezijde. Het zijn maar een paar algemene argumenten tegen een loopbaanverlenging: er zijn er meer concrete, nl. dat heel wat oudere werknemers verplicht zullen worden precaire jobs te aanvaarden. Of de modale werknemer zal ingaan op de regeringsuitnodiging om in ruil voor financiële incentives een paar jaar langer te werken zal moeten blijken. Misschien zullen heel wat werknemers de uitnodiging aanvaarden, maar zullen ze gelukkiger zijn, m.a.w. zullen hun prioritaire maar onderdrukte verlangens en doelstellingen om meer van het leven te genieten en bevrijd te zijn van de werkstress, voldaan zijn? In Zweden lijkt de drastische hervorming van het pensioenstelsel tot een enorme toename van het ziekteverzuim bij oudere werknemers te hebben geleid. De mensen vinden daar dus in de ziekte een uitweg om aan het werken te ontsnappen en zo toch hun zin te krijgen.

      Noten
      [1Voor een wetenschappelijk verslag van het onderzoek, zie: Baba Shiv, George Loewenstein, Antoine Bechara, Hanna Damasio, and Antonio R. Damasio Investment Behavior and the Negative Side of Emotion, Psychological Science, 2005, vol.16, 6, p.435-444.
      2 Terrence Chorvat & Kevin McCabe Neuroeconomics and Rationality. George Mason University Law and Economics Working Paper Series. Social Science Research Network: http://ssrn.com/abstract_id= 748264 (June 2005). Een versie onder dezelfde titel is gepubliceerd in Chicago-Kent Law Review, 2005, vol. 80, 3, p. 101-117.
      3 Werner Güth, Rolf Schmittberger & Bernd Schwarze An Experimental Analysis of Ultimatum Bargaining, Journal of Economic Behavior and Organization, 1982, vol. 3, 4, p.367-388.
      4 William Casebeer & Patricia Churchland The neural mechanisms of moral cognition: a mulitple-aspect approach to moral judgment and decision-making. Biology and Philosophy, 2003, vol.18, 1, p.169–194.
      5 Joshua D. Greene, R. Brian Sommerville, Leigh E. Nystrom, John M. Darley, Jonathan D. Cohen An fMRI investigation of emotional engagement in moral judgment. Science, 2001, vol. 293, Sept. 14, p. 2105-2108.
      6 Zie bvb. T. Chorvat & K. McCabe, o.c.
      7 Renate Schubert, Jamie Brown, Matthias Gysler & Hans-Wolfgang Brachinger Financial decision-making: Are women really more risk averse? The American Economic Review Papers and Proceedings, 1999, vol.89, p.381-385.
      8 Daniel Kahneman & Amos Tversky Prospect Theory: An Analysis of Decision under Risk. Econometrica, 1979, vol.47, 2, p. 263-291.
      9 Daniel Kahneman  Objective happiness.  in: Daniel Kahneman, Ed Diener and Norbert Schwarz (Eds.) Well-Being: Foundations of Hedonic Psychology.  New York, Russell Sage Foundation Press, 1999, p. 3-27. Daniel Kahneman  Experienced utility and objective happiness: A moment-based approach.  in: Daniel Kahneman & Amos Tversky (Eds.) Choices, Values and Frames.  New York: Cambridge University Press, 2000, p.673-692.
      (24 september 2005)

    • Eric R. zegt:

      Dit stuk over “Psychopaten” dateert wel van 2005.

  2. E.R. zegt:

    De Chileense cognitiebiologen Maturana & Varela (ook grondig filosofisch geschoold) hebben in de jaren 1970 als onderdeel van hun autopoeisis-concept (o.a. voortvloeiend uit een NASA-opdracht om het criterium te bepalen om uit te maken of iets dat op Mars zou bewegen of zo, ook leven kon genoemd worden – zij waren lid van een zgn. nieuwe-cybernetica-groep die destijds president Allende van Chili adviseerde tot de staatsgreep van Pinochet) een complete visie ontwikkeld waarin ze cognitie en taal niet linken aan een poging de ‘wereld’ te representeren, maar louter als manieren waarop levende wezens (ihb mensen, maar ook dieren of dier + mens) hun gedragingen coördineren in wat ze noemden een “co-existentiële drift (M & V verwierpen de idee dat “evolutie” een noodzakelijk kenmerk is van leven). Boek “Autopoiesis & Cognition: The Realization of the Living, 1980”. Dingkse, Gertrudis Van de Vijver heeft ook nog met hen gewerkt, toen ze nog vorser was. Maturana kreeg op ons aangeven een dr. honoris causa aan de VUB in 1986, Varela (eerst erg katholiek, in de jaren 70 militant communist, ==> naar Parijs moeten vluchten – Maturana was als een soort anarchist geen lid van een vereniging en stond niet op 1 of andere zwarte lijst, kon in Chili blijven, maar kreeg nog amper geld -, Varela werd boeddhist en werkte nog samen met Guattari, de kompaan van Deleuze, stierf plots aan een kanker ergens rond 2002).
    Ik hou me nog altijd aan die opvatting van “cognitie” waarin het begrip “rationaliteit” uiteraard niet centraal staat.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s